Het vuurvlindertje is het talrijkst in de duinen. Het valt op door zijn kleur: fonkelend oranjerood op de voorvleugels en de achterrand van de achtervleugels. De mannetjes zijn wat kleiner dan de vrouwtjes, maar verder is er weinig verschil. Veel mannetjes hebben beschadigingen aan de vleugelranden, die we geneigd zijn te wijten aan vogelaanvallen, maar ze kunnen evengoed zijn toegebracht door vechtende rivalen. Dagvlinders verdedigen hun territorium door middel van bloedeloze gevechten, waarbij ze ’spelend’ om elkaar heen dwarrelen. Met dat wilde om elkaar heen fladderen probeert de een de ander te verdrijven.
Het vuurvlindertje vliegt al eind april. Met een korte onderbreking in juni zie je het de hele zomer door, tot begin oktober. Het is uiterst algemeen in de duinen en daar vaak te zien, terwijl het op kale grond met wijdopen wieken zit te zonnen. De rupsen leven op schapezuring, dat vaak massaal groeit in de lage vegetatie van de duinvlakken. Bij zijn bloembezoek is het vuurvlindertje minder eenkennig dan het groentje en de blauwtjes, die even groot zijn en waaraan het vuurvlindertje verwant is. Alleen blauwe bloemen worden door vuurvlindertjes gemeden. In mei zag ik de vlinder binnen een half uur op de meidoorn, de zachte ooievaarsbek en het madeliefje. Nu zie je het op allerlei bloeiende planten, van kamille en duizendblad tot struikhei en distels. Ik telde meer dan twintig soorten bloemen waar het vuurvlindertje op vloog.
Steeds vaker kom je in huis nu roesjes en dagpauwogen tegen, die er een plek hebben gezocht om vorstvrij te overwinteren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.