In taalkundig opzicht bood de tekst die de koningin dinsdag voorlas, veel lofwaardigs. Een heldere opbouw, rustend op ‘zes pijlers’. Eenvoudige zinnen, met een gemiddelde lengte van veertien woorden. Negen uitschieters maar met meer dan 25. Op de 140 zinnen nog geen veertig bijzinnen (de zogeheten beknopte exemplaren daargelaten), die zelden of nooit de luistervaardigheid ernstig op de proef stelden.
Minder dan twintig lijdende vormen, waarvan trouwens de helft functioneel was. Geen ambtelijke naamwoordstijl, op een of twee gevallen na, zoals Het bestrijden van criminaliteit via internet krijgt in 2008 meer aandacht (een mededeling die ook nog voor tweeĆ«rlei uitleg vatbaar is). Vrijwel geen jargon en andere geheimtaal, met uitzondering vermoedelijk van de Europese Raad en de rechtsvorm ‘maatschappelijke onderneming’.
Kortom, een Troonrede die geen utopische eisen stelde aan het begripsvermogen van de toehorende tv-kijkers, wier aandacht geregeld ook door vrouwelijke schedelopsmuk werd getrokken.
Onverdeeld kan de lof nog niet zijn. In twee derde van de zinnen stond het onderwerp voorop, met zo nu en dan een zekere majesteitelijke dreun als gevolg. Een enkele zin was te kort. Zo kreeg de koningin de wereldvreemde boodschap in de mond gelegd dat ‘een duurzame samenleving de derde pijler onder het beleid’ is. Vermoedelijk bedoelden haar tekstschrijvers het streven naar zo’n samenleving. Te schrappen viel er ook wel wat, bijvoorbeeld in de mededeling dat de regering het aantal files ‘op de weg’ wil verminderen. Waar anders?
Curieus was de benaming campussen (‘zekere universiteitsterreinen’) voor het moderne equivalent van verbeterings- of heropvoedingsgestichten. Een doorzichtige poging misschien om kampen te suggereren, maar dat beladen woord zelf te vermijden?
Genoeg gemopperd. De conclusie mag zijn dat dit kabinet, dat 'dicht bij de mensen' wil opereren, zich in elk geval voor de vorm van de Troonrede niet hoeft te schamen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.