*

 

’Wij zijn als Nederlands team nooit samen’

Fred Buddenberg − 04/09/07, 00:00

De Nederlandse turnsters zijn mijlenver verwijderd van de wereldtop. Het was alsof de Amerikanen een heel andere sport bedreven.

Van alle 214 turnsters in Stuttgart behoort Verona van de Leur met haar 21 jaar en zes WK-deelnames tot de meest ervaren gymnastes. Ze loopt voortdurend bekenden tegen het lijf en krijgt soms de bevestiging van haar status. „Ik hoor via-via dat mensen het knap vinden dat ik nog op dit niveau turn. Een jurylid zei dat ik op sprong de hoogste Joertsjenko had laten zien. Dat is leuk om te horen.”

In de teleurstellend verlopen kwalificatiewedstrijd van zondagavond draaiden de Nederlanders mee met de turnsters uit de Verenigde Staten. Het verschil met de echte wereldtop werd in dat anderhalf uur pijnlijk onderstreept. Het leek alsof de Amerikaanse meiden een andere sport bedreven. Zelfbewust, vol vertrouwen en met een enorme gedrevenheid werkten zij hun oefeningen af. „Ik wist dat ze goed waren, maar dit was superknap”, vond ook Van de Leur.

„Je komt ook niet zomaar in dat team”, aldus de turnster van De Hazenkamp uit Nijmegen. „Ze hebben daar zoveel talenten en trainingskampen. Alles gaat ook zo gedisciplineerd. Na de trainingen bedanken ze allemaal de trainers en je zag ook niet wie de reserves waren. Iedereen deed overal aan mee. Vóór de wedstrijd gingen ze in een kring staan en schreeuwden ze Go USA.”

Een dergelijke teamgeest kent Van de Leur alleen van horen zeggen. In Nederland bereiden turnsters zich doorgaans als eenlingen in hun eigen omgeving voor op grote internationale toernooien. Van een collectief was ook dit keer geen sprake. Pas in de bus die hen naar Stuttgart bracht, konden de zeven turnsters elkaar de hand schudden. Loes Linders, de Brabantse die meende dat ze ten onrechte was aangewezen als reserve, was op zondagavond – een uur voor de wedstrijd – al op eigen gelegenheid naar huis vertrokken.

De vraag of het met de ervaren Linders beter was gegaan zal nooit beantwoord kunnen worden. Van de Leur heeft zo haar twijfels, ze had liever Fieke Willems in het team gehad. Willems viel al snel af in de selectieprocedure en ging naar de Universiade in Bangkok. „Fieke kun je op alle toestellen inzetten met bijna de zekerheid dat ze veertien punten scoort.” En Linders? „Ik vind dat Loes een beetje achteruit is gegaan sinds ze bij De Hazenkamp is weggegaan. Het is allemaal een beetje minder geworden en dat is zonde.”

„Wij zijn als team nooit samen”, erkent Van de Leur. „Wij trainen op verschillende plekken: in Heerenveen, Zoetermeer, Oldenzaal, Nijmegen. Je mocht zelf kiezen en zo krijg je geen teamgevoel. Vóór de WK in Gent in 2001 hebben we drie maanden samen wedstrijden gedaan en getraind in Beekbergen. Dat was misschien te veel van het goede, want we waren wel heel lang van huis.”

Die voorbereiding leverde, in combinatie met het destijds aanwezige potentieel, een historische vijfde plaats op. Van de Leur stond aan de vooravond van haar meest succesvolle jaar. In 2002 veroverde ze bij de EK in Patras vijf medailles, werd ze in Heerenveen nationaal kampioene en eindigde ze als tweede op vloer tijdens de WK in Debrecen. Vlak voordat ze tot sportvrouw van het jaar werd gekozen, won ze goud op vloer bij de World Cup-finale in Stuttgart, waar nu de mondiale titelstrijd is.

Blessures aan beide enkels blokkeerden een glorierijke voortgang van haar loopbaan. Van de Leur kon bijna twee jaar geen wedstrijden turnen. „Ik ging wel naar de zaal, alleen om aanwezig te zijn. Een turnster wil salto’s maken en schroeven. Maar daar heb je wel goede enkels voor nodig.”

Het vooruitzicht om eens aan de Olympische Spelen te mogen meedoen, hield Van de Leur op de been. Ze sluit niet uit dat ze Londen (2012) haalt, maar ze richt zich vooralsnog op Peking, volgend jaar. „Daarom is het zo balen dat we hier maar één olympisch ticket hebben verdiend.”

mailIcon print |