Waarin schuilt de magie van poëzie? In de klanken, de betekenis, de gedachten? Trouw-redacteur Peter Henk Steenhuis bevraagt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer, in het derde van een reeks gesprekken over denken en dichten.
Poëzie is populair maar moeilijk. Slaat een hedendaagse lezer een dichtbundel open, dan verwacht hij geen medische kennis tegen te komen. Hij verdiept zich ook niet in een gedicht uit de behoefte gesticht te worden. Een poëzielezer hoopt op een verdiept inzicht in onze werkelijkheid.
Wie iets wil zeggen over onze werkelijkheid, moet ook iets zeggen over onze taal. Want we kennen de werkelijkheid niet buiten de taal om.
Sinds een jaar of vijf woedt in Nederland een debat over poëtische taal tussen dichters die alledaagse taal gebruiken en de ’moeilijke’, hermetische dichters. Een van de hoofdrolspelers is de dichter en criticus Ilja Leonard Pfeijffer, verdediger van de complexe poëtische taal. Zijn argumentatie is interessant: poëzie moet complex zijn omdat de werkelijkheid complex is.
Theo de Boer: „Pfeijffer zegt hier iets wat je in de filosofie ook kunt horen: het protest tegen het versmallen en kortwieken van de ervaring. Mensen denken nooit aan één ding, maar zijn in hun hoofd een vat vol tegenstrijdigheden en ambiguïteiten. Dat wil de poëzie laten horen.”
Toch laten horen, en niet laten lezen?
„Dat hermetische poëzie gelezen moet worden, op z’n minst een paar keer, wil niet zeggen dat poëzie niet muzisch is. Integendeel, de Franse dichter Paul Verlaine zei over moderne poëzie: ’de la musique avant toute chose’.”
Als de muziek voor alles gaat, kruip ik achter een piano.
„Volgens Verlaine hoeft dat niet, omdat poëzie écht muziek is.”
Wat is de muziek dan van een gedicht?
„Het rijm en de assonantie, dat zijn de klankherhalingen binnen een gedicht. En het metrum en het ritme, die bepalen hoe de geaccentueerde lettergrepen binnen een gedicht zijn georganiseerd. Hoe een gedicht loopt, zeg maar.
Elk taalteken heeft twee kanten, een klank en een betekenis. In het Nederlands hebben we zesentwintig klinkers en medeklinkers, maar de verscheidenheid van betekenissen is oneindig.
Taal is een vernuftig en complex bouwsel van klanken en betekenissen. Dat noemen we de dubbele articulatie van taal. Bij poëzie komt daar nog een tweede gebonden articulatie bij: dat zijn de muzische regels van een gedicht.”
Gelden die regels ook nog binnen de moderne poëzie?
„Sinds de opkomst van het vrije vers worden ze zeer vrij gehanteerd, maar ze ontbreken nooit. Sterker nog, bij de ’modernisten’ in de negentiende eeuw, verdwijnt het rijm niet maar krijgt juist nadrukkelijk een betekenis. Stéphane Mallarmé schreef een sonnet over een zwaan – in het Frans: cygne – waarin de i-klank het rijm van alle regels vormt.
De nadruk die hedendaagse dichters leggen op de muzikaliteit van hun gedichten, waardoor rijm en assonantie extra betekenis stichten, versterkt de complexiteit van moderne poëtische taal. Een dichter als de Zuid-Afrikaanse Antjie Krog benadrukt het belang van de taal als muziek zelf ook. Haar gedicht ’digter wordende’ begint met de zin: ’Om op ’n oggend wakker te word binne-in klank’.”
Voor haar is een gedicht geen verwoording van een gedachte?
„Nee, zij wordt wakker midden in een klank, en de klanken van de taal zijn ook de voelspriet waarmee zij vervolgens te werk gaat.’’
Niet vol overtuiging, ze schrijft dat ze aarzelt.
„Die aarzeling duidt er niet op dat ze onzeker is. Volgens Paul Valéry is een gedicht ’een volgehouden aarzeling tussen klank en betekenis’. Krog beschrijft die aarzeling: ’om met aarselende sorg die effensste roerings/ van lig en verlies in klank te kalibreer’.”
Waarom is er dan sprake van verlies?
„Verlies zit in de vorm, de vaststelling. Hoe aarzelend je ook bent, hoe licht je de woorden ook beroert, zodra je de klanken ijkt, kies je voor een bepaalde vorm. En kiezen is verliezen, want als de dichter gekozen heeft, heeft zij zich gebonden aan dat woord.
Maar wanneer dit gebeurt, neemt ze een knielende houding aan: ’om jouself meteens gekniel te vind/ bo-oor die hoorbaar kloppende wand’.”
Ze heeft spijt van haar keuze voor een bepaald woord.
„Nee, waarom?”
Knielen is toch een traditionele uiting om spijt te betuigen?
„Naar mijn idee is knielen juist een luisterende houding. Ze luistert naar het woord dat ze gekozen heeft, of beter, dat haar gegeven is, ingegeven door de klank. Ze bevindt zichzelf nu boven de hoorbaar kloppende wand van dat woord.”
Wat is de wand?
„Dat is de grens van het woord. Definiëren betekent begrenzen. Als zij voor een bepaald woord kiest, definieert zij de klank waarmee ze wakker werd. Maar dit betekent niet dat het gekozen woord nu de rest van het gedicht gaat bepalen. Ze blijft zoeken naar het ogenblik waarop een versregel ’volloop in klank’. Klank, niet betekenis. Ze zegt zelfs dat de betekenis van woorden zwichten: ’begin gly en hom eindelik oorgee aan geluid.’ Daarmee bedoelt zij dat de muziek effect heeft op de betekenis van het gedicht. Dat is de magie van de poëzie.”
Zij zegt dit over het dichten. Geldt het ook voor dit gedicht zelf?
„Opvallend is de o-klank van oor in het hele gedicht. Verder gebruikt ze de klank van het woord ’klank’ in de eerste drie strofes om mee te rijmen. In de eerste regel ontsluit ze er het gedicht mee, en de derde strofe eindigt ze ermee. Dan volgen de laatste, concluderende regels, die eindigen met het woord ’tong’ en ’oor’. De magie van de poëzie werkt dus zeker in dit gedicht.”
Een dichter is een tovenaar die met klanken woorden van betekenis verandert – of ’beroert’?
„Ja. Het was voor mij een eyeopener bij de taalkundige Roman Jakobson te lezen hoezeer de klank, bijvoorbeeld het rijm, invloed heeft op de betekenis. Dat lijkt in strijd met een eigenschap van taal die altijd benadrukt wordt: er is geen innerlijk verband tussen de klank en de betekenis van een woord, behalve bij onomatopeeën waar de betekenis berust op klanknabootsing. Daarom heet de koekoek koekoek, de grutto grutto.
Jakobson licht die invloed van de klank op de betekenis toe met voorbeelden uit de politieke propaganda, bijvoorbeeld de leuze ’I like Ike’. Die suggereert dat je niet aan de liefde kunt denken zonder al aan Ike te denken.”
Omdat Ike opgesloten zit in like.
„Precies. Je kunt als het ware niet ’liken’, zonder te ’iken’. Zo natuurlijk is het van Eisenhower te houden. Je kunt zelfs niet like en Ike zeggen zonder tegelijk I te zeggen. I is een natuurlijk onderdeel van like en Ike. De kiezer is zonder te kiezen al opgenomen in de omvattende liefde waar ook Ike een deel van is. Je hoeft niet te kiezen, er is al voor je gekozen. Zoals Krogt zegt in de derde strofe: ’de enigste waarheid staan gevél in klank; de enige waarheid staat geveld in klank’.”
Kennen wij in het Nederlands ook zulke voorbeelden?
„Ja. De beroemdste politieke slogan van de afgelopen jaren is: ’Fatsoen moet je doen’. De magie zit hier in de drie oe-klanken. De middelste ’oe’ van ’moet’ van de plicht, verbindt op natuurlijke wijze fatsoen met doen; en met ’oei’ en ’foei’. Wie dit hoort, doet zoals het moet, en dat is goed – zo suggereert de spreuk.”
Wat betekenen zulke voorbeelden voor de poëzie?
„De betekenis is het stabiele element in het taalteken. Vanouds wordt dat gedacht als een vaststaande identiteit, terwijl de klank vervliegt. De theorie van Jakobson is zo baanbrekend omdat het rijm, dat altijd beschouwd werd als versiering, nu een betekenisbepalende factor wordt. Het is niet alleen maar versiering die zonder verlies van betekenis weggelaten zou kunnen worden of die helpt om iets uit het hoofd te leren. Het heeft een intrinsieke functie gekregen. Dat noemde ik eerder de ’emancipatie van het rijm’. Voor de betekenis betekent dat dat de identiteit wankelt. Betrokken in het spel van klanken krijgt het betekenen zijn souplesse terug. De pasklare set van betekenissen uit het woordenboek wordt polyvalent. Het gedicht gaat tastend zijn weg, inderdaad als een ’voelspriet’.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.