*

 

Een nachtmerrie vol dozen, een week lang, waarin er alleen gesjouwd en gesnauwd wordt

Monic Slingerland − 30/01/07, 00:00

Onbegrijpelijk dat mensen gemiddeld om de zes jaar verhuizen. Wat mij betreft was het eens en nooit meer. De stress vreet zo erg dat iedere greep op de tijd verdwijnt. Middag, avond, ochtend, ze zijn er geweest, een paar keer achter elkaar, maar er is geen spoor meer van terug te vinden. Af en toe eten we wat brood, en verder gaan we, dozen verslepen, ruimte maken, een stuk vloer tevoorschijn brengen. Ooit moeten we hier kunnen zitten, eten, slapen, weer weten dat het middag is, naar het nieuws luisteren, teletekst bekijken, met mensen praten. First things first, roepen we tegen elkaar, maar wat dan die allerbelangrijkste dingen zijn waar alles voor moet wijken, die het begin zullen zijn van de orde waar we allebei hevig naar snakken, dat weten we niet, of, als ik eerlijk ben, dat weten we wel, heel goed zelfs, maar we hebben allebei een verschillend idee daarover en bovendien lopen onze ideeën daarover de hele tijd mijlenver uiteen. Wat hunkert een mens naar een thuis, vooral als het bestaan zich alleen afspeelt in kamers vol dozen, stoelen, kasten, een opgerold kleed dat op tafel ligt, een keuken vol kratten. Kale ramen, nergens gordijnen, nergens kunnen lopen, behalve in de woonkamer, het enige vertrek in huis dat helemaal leeg is, maar daar is het parket net een uur geleden in de was gezet, dus betreden is verboden, de komende anderhalve dag. Af en toe doe ik de deur naar die kamer open, om even te kijken naar die heerlijke lege ruimte, een doosloos gebied in een woning die verder vooral op een pakhuis lijkt zonder enige structuur. Honger, slaap, die dwarrelen en scharrelen maar wat rond, we komen ze soms tegen. Waar is het begin van de orde, waar is ons thuis, dat hier ergens verstopt zit, we hebben het er een keer gezien, toen we hier maanden geleden gekeken hebben, gevonden wat we zochten. Dozen tillen, verplaatsen, grauwen en snauwen omdat alles zo zinloos lijkt. Gordijnen, ik wil gordijnen ophangen, dan begint het te voelen als thuis. First things first, klinkt het, en ik snauw terug dat dat nu juist is wat ik aan het doen ben. Het liefste zou ik nu muziek horen, maar alles zit in een doos en ik weet niet in welke. We hebben te veel dozen, waarom slepen we dat allemaal met ons mee? Het is vooral van jou, bast de man die tegelijk met mij in dit huis komt wonen en dat is wel waar, maar er is nu niets meer aan te doen. Terug kunnen we niet meer, de verhuizers zijn weg. We kunnen alleen maar vooruit, maar we zitten klem, er is geen beginnen aan. Opgevouwen op een bankje tussen kasten en een opgerold tapijt, waarvan ik nu niet meer weet waar dat moet komen te liggen, eet ik een boterham. Het kan een lunch zijn, maar misschien is het wel het avondeten. Winkels heb ik al lang niet meer gezien, in de koelkast zitten de resten die uit het oude huis komen, maar de deur van de koelkast kan alleen met een kiertje open. Een pak yoghurt gaat er niet doorheen.

Dan ligt er zomaar een krant op het stukje aanrecht dat leeg is. Dinsdag, staat erop. Niet te geloven. De laatste keer dat ik wist welke dag het was, was het ook al dinsdag. In de slaapkamer prop ik alle kleren uit de dozen in de kast, ook alle spijkerbroeken die zelfs te kapot zijn om aan te doen bij een verhuizing.

Als het weer eens echt nacht wordt, wil ik doosloos kunnen slapen.

mailIcon print |