*

 

Voorbeeld voor elke liberaal

Frits Bolkestein − 02/06/07, 00:00

Karl Popper werd met zijn ’The Open Society and Its Enemies’ (1945) een beroemd filosoof. Het boek is een liberale kritiek op het totalitarisme. In een korte serie blikt Trouw op dit werk terug. Ter afsluiting: Frits Bolkestein.

Karl Popper werd geboren in 1902 in Wenen. In zijn autobiografie schetst hij het heersende klimaat waarin hij opgroeide, „een sfeer van liberalisme in geheel Europa ten westen van tsaristisch Rusland; een atmosfeer die ook in Oostenrijk heerste en die, naar het zich laat aanzien, voorgoed vernietigd werd door de Eerste Wereldoorlog.”

Het is niet overdreven leven en werk van Karl Popper voor een belangrijk deel te plaatsen in het verband van de twintigste-eeuwse cyclus van bloei, crisis en wederopstanding van het liberalisme, een crisis die inzette met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en die uiteindelijk een kleine tachtig jaar zou duren.

Niet dat ik hiermee overigens de auteur met de liberale politieke stroming vereenzelvig. Hoewel Popper zichzelf als klassiek liberaal omschreef, zijn er immers ook aanwijzingen dat hij bepaalde sociaal-democratische sympathieën bezat en zelfs niet geheel van conservatieve sentimenten vrij was.

Popper is mijns inziens vooral representatief voor een liberale geesteshouding, een houding die dominant was in het Europa van voor de Eerste Wereldoorlog in het algemeen en in het Wenen waarin Popper opgroeide in het bijzonder. Ondanks de keizerlijke censuur bestond er in het vooroorlogse Wenen in praktijk immers een grote mate van academische en artistieke vrijheid.

In zijn opvoeding kreeg Popper veel mee van de waarden van het burgerlijk-emancipatorische of sociaal-liberalisme dat de eerste decennia van de twintigste eeuw kenmerkte: een open geesteshouding gericht op geestelijke ontwikkeling, een sociaal engagement gericht op emancipatie van de lagere klassen in de samenleving, een kritisch-rationalistische aanpak in wetenschappelijke vraagstukken en een sterke afkeer van dogmatische of absolute denkschema’s.

Maar al in Poppers jonge jaren waren de tekenen van verval van deze Europese liberale consensus te zien. Het zaad was reeds gezaaid voor de communistische revolutie in Rusland en voor de opkomst van fascistische en nationaal-socialistische bewegingen in Italië en Duitsland.

Het vooroorlogse liberalisme bleek niet bestand tegen de anti-liberale krachten die dankzij de grote mate van academische en politieke vrijheid helaas maar al te vaak vrij spel kregen. Hierbij speelde eveneens een belangrijke rol de passieve houding van wat ik, met een term die ik aan Isaiah Berlin ontleen, de fellow-travellers of the fellow-travellers zou willen noemen: al diegenen die, hoewel zij zelf geen anti-liberale denkbeelden koesterden en daarom toch goede redenen moeten hebben gehad om het liberalisme tegen haar vijanden te beschermen, het uiteindelijk toch niet nodig achtten rede en vrijheid te verdedigen tegen de aanvallen van de totalitaire intellectuele en politieke stormtroepen. Het verval van het liberalisme was voor een niet onaanzienlijk deel dus ook te danken aan de passiviteit van hen die toch belang zouden moeten hebben gehad bij haar behoud: de intellectuelen, de politici, de burgerij.

Een van de belangrijkste uitzonderingen op deze regel werd gevormd door Karl Popper zelf. Al zijn werken lijken het product van een gepassioneerd verzet tegen het zich sluiten van de Westerse geest voor het opkomende totalitarisme. In zijn ’Logik der Forschung’ neemt hij krachtig stelling tegen de critici van de rede. Twee andere, ongeveer tegelijk geschreven werken, ’The Open Society and its Enemies’ en ’The Poverty of Historicism’ zijn mijlpalen in de strijd tegen fascisme, nationaal-socialisme en communisme. Samen met Isaiah Berlins ’Four Essays on Liberty’ en Friedrich Hayeks ’The Road to Serfdom’ vormden deze werken de meest krachtige verdediging van het politieke vrijheidsidee tegen de gecombineerde bedreiging van Hitler, Mussolini en Stalin.

Dit wil niet zeggen dat er geen kritiek op het werk van Popper zou kunnen worden uitgeoefend. ’The Open Society and its Enemies’ is een poging het totalitarisme te verklaren vanuit het perspectief van de ideeëngeschiedenis. Evenals Isaiah Berlin zoekt Popper in deze geschiedenis naar de wortels van nazisme, fascisme en communisme. Zowel Berlin als Popper zelf concentreren zich bij deze zoektocht vooral op de invloeden van de grote denkers.

Dit is zeker een legitieme benadering. Maar men kan zich afvragen of het voor een goed begrip van de intellectuele oorsprong van het totalitarisme niet nuttiger zou zijn het te benaderen niet als de uitkomst van een debat tussen grote denkers maar meer als een product van de verkeerde interpretatie van het werk van originele filosofen door tweede- en derderangsdenkers, meelopers en populariseerders, kortom de Lumpenintelligenz.

Naar mijn mening is het van belang na te gaan hoe en in welke – vaak verwrongen – vorm bepaalde filosofische ideeën uiteindelijk op straat belanden, hoe ze als gevolg van verkeerde interpretatie en vulgarisering uiteindelijk worden opgenomen in het politieke vocabulaire van mensen die aan zaken als vrijheid en democratie geen al te grote waarde hechten.

Zoals bekend, schetst Popper in ’The Open Society and Its Enemies’ een tweedeling tussen enerzijds het historicisme, met zijn heilsverwachting of nostalgische hang naar het verleden, en anderzijds het pragmatisme van de social engineer, de wetgever die met behulp van praktische voorstellen concrete, soms kleine problemen tracht op te lossen. Anders dan de historicist is de social engineer niet gemotiveerd door de wens een utopia te bouwen; hij wil slechts kleine maar concrete verbeteringen in het alledaagse leven van mensen aanbrengen.

Social engineering heeft in zijn utopische vorm veel schade aangericht, maar in een meer pragmatische vorm is het een benadering waarmee ook de liberaal – zij het met mate – uit de voeten moet kunnen.

Een eerste categorie wordt hierbij gevormd door praktische voorstellen die ook daadwerkelijk een verbetering in de leefomstandigheden van mensen hebben betekend. Bekende voorbeelden hiervan zijn de liberale sociale wetten van het laatste kwart van de negentiende eeuw en de invoering van de leerplicht. Een minder voor de hand liggend maar daarom niet minder geslaagd voorbeeld is het Zuiderzeeproject: dat heeft Nederland voor altijd veranderd, in zekere zin zelfs werkelijk één gemaakt.

Een middencategorie wordt gevormd door beleidsideeën die uitwerking geven aan het oprechte verlangen van sociaal liberalen om mensen niet alleen de kans op een beter leven te geven, maar hen ook daadwerkelijk te leren hoe dit betere leven bereikt zou kunnen worden. Een treffend voorbeeld hiervan vindt men in het experiment met de zogenaamde woonscholen. Uitgaande van de nobele doelstelling dat men mensen die daar duidelijk niet toe in staat waren weer fatsoenlijke wilde leren wonen, werden op een aantal plaatsen in ons land, bijvoorbeeld in Amsterdam in het Zeeburgerdorp, hofjes ingericht waarin zogeheten asociale families onder toezicht van een sociaal werker leerden hoe men fatsoenlijk moest wonen.

Bussing in Boston is vervolgens een voorbeeld van de derde categorie van slecht doordachte pogingen tot social engineering die niet werkten. Teneinde een oplossing te vinden voor het verschijnsel van de facto segregatie van blanke en zwarte scholieren – de opkomst van wat in Nederland tegenwoordig met een slecht gekozen term ’zwarte scholen’ wordt genoemd – besloot de gemeenteraad van de Amerikaanse stad Boston in 1974, na een gerechtelijke uitspraak die hem daar feitelijk toe verplichtte, over te gaan tot het vervoeren per bus van zwarte scholieren naar grotendeels blanke scholen.

Dit bleek twee onbedoelde gevolgen te hebben: ouders van kinderen uit de blanke middenklasse haalden massaal hun kinderen van school en schreven ze in bij privéscholen. Het gehele openbaar onderwijsstelsel in Boston kreeg hierdoor een soort tweederangsstatus. Daarnaast leidde het vervoer op grote schaal van kinderen van hun huis in het ene deel van de stad naar hun school in het andere deel tot de ondergang van de buurtscholen, instellingen die een belangrijke rol speelden in het levend houden van een gemeenschapsbesef, vooral in armere wijken. Het werkte hierdoor indirect de verpaupering van deze achterstandwijken in de hand.

Zoals Popper zelf opmerkt in zijn inleiding bij de tweede editie van ’The Open Society and its Enemies’: „Onze grootste problemen stammen in iets dat even indrukwekkend en belangrijk als gevaarlijk is – ons ongeduld bij het verbeteren van het lot van onze medemens.”

De laagste categorie wordt gevormd door slechte of ronduit gevaarlijke vormen van social engineering die worden gerechtvaardigd met behulp van een beroep op een radicale utopie.

Een berucht voorbeeld hiervan is de eugenetische politiek in het socialistische folkshemmet in Zweden. Teneinde de zuiverheid van het Zweedse ras te garanderen en het emancipatieproces van de arbeidersklasse te versnellen door ongewenste elementen het voortplanten te beletten, werden in de periode tussen 1934 en de vroege jaren zeventig meer dan 63.000 sterilisaties uitgevoerd. Bijna dertigduizend van deze operaties werden zonder de duidelijk toestemming van de patiënt gepleegd.

Deze kleine classificatie van de praktische toepassingen van social engineering laat zien dat de ervaringen met dit beleidsinstrument goeddeels negatief zijn. De liberale argwaan met betrekking tot social engineering vindt zijn oorsprong daarbij vooral in de catastrofale gevolgen van grootscheepse socialistische maakbaarheidoffensieven.

Ik vat samen: Karl Popper is een voorbeeld voor elke liberale politicus. Hij was een open geest strijdend voor een open gemeenschap. Hij heeft de val van de muur nog meegemaakt en heeft dus na de bloeiperiode en het verval van het Weense liberalisme, na de lange nacht van de communistische dictatuur en de rebellie tegen de rede uiteindelijk het liberalisme weer zien triomferen. Dat maakt zijn leven uiteindelijk tot een hoopgevend verhaal.

mailIcon print |