*

 

Haspengouwse werelden

door Rick de Leeuw − 31/01/07, 00:00

Fietstochten maken geen deel uit van het repertoire van muzikant en schrijver Rick de Leeuw. Maar in Vlaanderen ontdekte hij dat zo’n rit altijd een nieuw verhaal oplevert.

’De boeren kwamen met hun vrouwen naar de stad, want het was marktdag. De mannen liepen met rustige pas, het hele lijf naar voren hellend bij elke beweging van hun lange, kromme benen, die vervormd waren door het harde werk.’

Ik zit in de trein en lees een verhaal van Guy de Maupassant als op station Leuven een man naast me komt zitten.

„Twintig jaar ben ik vrijwilliger”, zucht hij. „Maar dit jaar echt voor het laatst.”

Ik schat hem een jaar of veertig, minstens. Hij neemt een slok van zijn halveliterblik Jupiler.

„Volgend jaar ga ik aan de andere kant staan. Een keer net als het publiek van de muziek genieten, in plaats van altijd maar te moeten werken.” Hij glimlacht en neemt nog een slok.

„En jij, ben jij ook op weg naar Pukkelpop?”

De trein is bomvol Pukkelpoppubliek, een vreemde vraag is het dus niet.

„Nee”, antwoord ik, nog wat onwennig. „Ik ga fietsen in de Haspengouw.”

Kasteel Bellevue is volgens de website ’de charmantste kasteel-bed and breakfast in lieflijk Haspengouw’ en ligt op een klein uur fietsen van Sint Truiden, als je de aanwijzingen op de routekaart nauwgezet volgt.

Ik huur een fiets aan het station, gesp mijn tas op de bagagedrager en ga op weg.

Ruim twee uur later houd ik na een flinke klim stil in een bocht; op de plooien van het dal dat zich voor me uitstrekt ligt het dorp, haast achteloos rond een kerk uitgestrooid, te schitteren in de zon. Heuvel af is het leven goed: Gors-Opleeuw.

„Kasteel Bellevue?”

De vrouw staat naast haar four-wheeldrive voor haar carport en kijkt me niet-begrijpend aan.

„Geen idee. Vraag het beter aan mijn buurman, ik woon hier pas drie jaar.”

Felicien Maes verzekeringsagent, staat er in blinkende letters voor de oprit van haar buurman.

„Is er in Gors-Opleeuw misschien ook een café?” opper ik voorzichtig

„Dat is lang geleden gesloten”, weet ze. Ze is blij me toch van dienst te kunnen zijn.

„Het huis op de hoek tegenover de kerk, dat was vroeger het café. Vraag het de mensen daar, zij weten het vast wel.”

Haar werk is juist gedaan als ik bij Sofie aanklop. Ze woont in het huis tegenover de kerk.

„Kasteel Bellevue”, roept ze enthousiast. „Dat is een prachtige plek, en vlakbij!” In een paar woorden legt ze me uit waar het is en nodigt me meteen uit om die avond iets bij haar te komen drinken. „Als je woont in wat vroeger het enige café van het dorp was, schept dat verplichtingen”, lacht ze. „En mijn man maakt zelf wijn, met de wijnclub de Loonse wijnluyden, en vanavond komt ook de voorzitter op bezoek.”

Als ik wegfiets roept ze me nog na: „Neem Gabriëlle mee als je komt!”

Even later fiets ik de oprit van kasteel Bellevue op, en het voelt of ik de achttiende eeuw binnenrijd. Een rank, wit kasteeltje op een heuvel, omgeven door weilanden en bos. In gedachten hoor ik het getrappel en gebries van paarden en het geratel van een koets. Hoog bezoek vandaag; Giacomo Casanova, Madame de Pompadour, je kunt bij een kasteel als dit werkelijk iedereen verwachten.

De deur van het bordes zwaait open. „Ha, daar bent u, welkom!”

Gabriëlle is de eigenaresse van Bellevue, een dame van een jaar of zestig en nog iets, die haar eigen kersenjenever stookt. „Lust u misschien een glaasje?”

We gaan de hal binnen. Vanaf de muren kijkt een geschilderd groots verleden streng op ons neer, afgewisseld met enkele jachttrofeeën. Gabriëlle gaat me voor naar een veel lichtere salon.

„Het is heerlijk wonen hier, en met een half uur ben je van hieruit in hartje Luik, Genk of Hasselt. Mijn dochter heeft in Brussel gestudeerd en dan vond ik het heerlijk om in mijn eentje door de stad te slenteren, door de Marollen of de Louizalaan. De winkels, de restaurants, de mensen op straat. Maar als ik na zo’n dag hier terugkwam en de vogels weer hoorde, wist ik dat ik thuis was; hier kom ik tot mijn rust.” Ze schenkt nog een likeurtje in. „Als je zelf het gras nog afrijdt en nog zin hebt in alles, is dit een geweldige plek.”

Ze heeft iets voor me gekookt, want na zo’n reis is een man toch hongerig. Frikadellenkoek uit de oven, Haspengouwse peertjes met aardbeiensaus en een warme appelbeignet toe.

Bij de koffie vertel ik haar van het aanbod van Sofie.

„Dan moeten we dat ook doen”, is haar stellige antwoord.

„Dit is de originele toog, en ook de bierpomp en de spiegelwand zijn nog in originele staat. Alleen de frigo’s zijn nieuw.” Wim staat achter de bar en schenkt een glas witte wijn voor me in. Van eigen druiven, zelf geplukt en geperst, eigenhandig gebotteld; tot aan het plakken van de etiketten aan toe is dit zijn eigen wijn. ’De Graef’ heet de wijn die we nu drinken. Overdag werkt Wim als architect, overal in het land.

„Dit is het kleinste café van België.” Hij kijkt tevreden zijn huiskamer door. „We betalen voor de vergunning minder dan de postzegels kosten op de enveloppe waar de vergunning in verstuurd wordt.” Hij schudt zijn hoofd en trekt een nieuwe fles open. Brussel is ver weg.

„Dit is een Riesling uit 2001, die moet nodig gedronken worden.”

„Je ziet het op zondag”, vertelt Gabriëlle over het dorp. „De mensen uit Gors gaan door de ene deur de kerk binnen, die uit Opleeuw door de andere. En ze zullen altijd eerder met iemand van eigen kant trouwen.”

„In Antwerpen weet je niets van je buren”, zegt Sofie. „Hier weet iedereen dat je naar de mis bent geweest.”

„Of niet bent geweest”, voegt Wim toe.

„Als ik met de wagen boven aan de heuvel kom”, zegt Wim enkele glazen later, „en beneden in het dal het dorp zie liggen, dan laat ik al het werk en alle stress achter me. Dat voelt als” Hij zoekt naar zijn woorden. „Weet je, een buurvrouw zei vroeger vaak ’je moet altijd blijven ademen’. Daar denk ik vaak aan als ik daar sta.”

En we proosten, op Bellevue, op het toeval, op de buurvrouw, op Gors-Opleeuw.

Na een stevig ontbijt met eieren, spek en veel fruit en sterke koffie ga ik de Haspengouw verkennen. De kaart laat ik achter op mijn kamer; als je geen plan hebt, verdwaal je nooit. Het is een mooie dag en na een paar uur fietsen door de velden, langs weiden met paarden, met koeien, langs gaarden vol van rijpe peren en appelen overhellende bomen, pauzeer ik bij de kapel van Oetersloven, opgedragen aan de Heilige Rita.

De kapel is eeuwenoud, en robuust en vertederend tegelijk. Er staan acht kleine houten banken en op één daarvan zit een man van een jaar of zestig. Ik groet hem, hij groet terug.

„Het is een fijne plek om af en toe eens goed na te denken”, zegt hij als we samen naar buiten lopen. „Een mens heeft dat soms nodig.”

Hij is op ziekteverlof en dit is de eerste dag dat hij terug buiten is. De voorbije weken heeft hij hoge koortsen gehad, en in een van zijn koortsdromen waren zijn overleden vader en zijn overleden broer aan hem verschenen. Met z’n drieën hadden ze aan de keukentafel gezeten en een blikje fris gedronken. Hij Schweppes, zijn vader en zijn broer cola. Ze hadden gesproken over leven en dood.

„Je blijft in je eigen kring, zoals je die op aarde kende”, hadden ze hem verteld. „Je loopt niet zo maar even een andere tijd binnen om Mary Stuart een hand te geven.” Ze hadden er alle drie om gelachen. En toen zijn vader en zijn broer aanstalten maakten om te vertrekken, had ook hij zijn jas gepakt, klaar om mee te gaan. Zijn vader had hem echter tegengehouden, want ’jij hebt hier nog veel te doen’. Hij was gebleven, het was zo levensecht geweest.

„Het leven en de dood zijn twee werelden, die elkaar af en toe raken, als tandwielen. Je kunt dan zo overstappen van de ene naar de andere.” Terwijl hij dit vertelt, draait hij zijn handen als twee tandwielen in en uit elkaar.

„De volgende ochtend werd ik wakker en voelde me iets beter. Rustiger. Ik liep naar de keuken, op tafel stonden drie halflege blikjes fris: één Schweppes en twee cola. Ik weet niet meer goed in welke van de twee werelden ik woon. Misschien dat ik daarom zo graag af en toe in dit kapelletje kom, tussen twee werelden.”

De weg terug naar kasteel Bellevue vind ik inmiddels zonder moeite. Ik zal mijn tas in moeten pakken, het is tijd om te gaan. Het afscheid van Gabriëlle gaat met een kersenlikeur en een zeker ’tot ziens’. Tegenover de kerk vind ik Sofie. Wim is er niet, hij is in de wijngaard aan het werk. Je moet soms weggaan om ergens terug te kunnen komen. In de trein naar Brussel is het druk; ook Pukkelpop is afgelopen. En niemand vraagt me hoe het er geweest is.

mailIcon print |