*

 

Het mooiste tuindorp, gebouwd door Stork, naar Engels voorbeeld.

Marleen van Swigchem − 27/01/07, 00:00

Zelfs op een gure, natte winterdag oogt het er vriendelijk. Er zijn geen beroemde gebouwen om je aan te vergapen, wel brede stoepen, voortuintjes, plantsoentjes, en hier en daar een geweldige oude beuk die het straatbeeld overheerst. Tuindorp ’t Lansink, begin twintigste eeuw gebouwd door machinefabrikant Stork, is het mooiste tuindorp van Nederland. Of in elk geval het best bewaarde.

Stork is niet van de economiepagina’s weg te slaan. Boze grootaandeelhouders, een halsstarrige raad van commissarissen, laakbare beschermingsconstructies, een uitspraak van de rechter, het was smullen voor de specialisten. Als eenvoudige wandelaar denk je daar het jouwe van. Terug naar de goede oude tijd, toen ’Stork’ nog gewoon de familie Stork was, vader & zonen, machinebouwers uit Hengelo, geprezen om hun verlichte bedrijfsvoering. Bij Stork begrepen ze nog hoe je kapitalisme en socialisme kon verenigen! ’Een machine in Gods handen’ noemde vader C. T. Stork zichzelf, en een ’vader voor zijn arbeiders’.

Toen de Stork-fabriek van Borne naar Hengelo verhuisde en er een groot woningtekort dreigde te ontstaan, bouwde de jongste Stork-telg, ’meneer Coen’, Tuindorp ’t Lansink, een ’kolonie voor arbeiders en beambten, met veel licht en lucht, en betaalbare huren’. Sinds 2003 een beschermd stadsgezicht.

Vlak achter het station loopt de Industriestraat recht naar het hart van het vroegere Stork-complex. Uit de jaren 1900 rest een oud fabriekskantoor en het trapgevelgebouw van Stork-Hijschwerktuigen. De immense ijzergieterij wordt inmiddels grotendeels afgebroken. Hier komt het community college van het ROC Oost Nederland. Verderop, voorbij de witte Stork-watertoren waar nu de brandweer zijn slangen te drogen hangt, zijn de werkzaamheden beter te bekijken. Het klinkt enthousiast, de plannen voor het nieuwe Hart van Zuid: ’wonen, werken, studeren en uitgaan, met behoud van karakteristieke elementen en met veel groen’. Makelaars, corporaties en bewonersverenigingen slaan de handen ineen – net als in de beginjaren van Tuindorp ’t Lansink. Dat is precies wat het Tuindorp verrassend maakt: de menselijke maat, met een vriendelijk, zelfs feestelijk tintje.

Vlak voorbij het fabrieksterrein loop je er zo op af, op het allereerste huis dat gebouwd werd: Julianalaan 1, waarvoor, getuige de gevelsteen, het zesjarige zoontje van meneer Coen de eerste steen mocht leggen.

Het verhaal luidt als volgt. In 1909 hield inspecteur van volksgezondheid Faber in het Verenigingsgebouw van Stork (vlakbij het spoor, aan het eind van de wandeling) een voordracht over de woningtoestand van de Nederlandse arbeiders. Hij roemde Engeland, waar gezonde, groene tuindorpen verrezen. Coen Stork bevond zich onder het gehoor en werd door het verhaal gegrepen. Hij ging persoonlijk naar Engeland om die garden cities te bekijken, zoals Port Sunlight van de Lever Brothers. Toen hij terugkwam nam hij contact op met de architect Karel Muller en tuinarchitect Pieter Wattez. In 1911 begon de bouw.

De naam stamt van erve Het Lansink, de boerderij die als uitvalsbasis diende voor de architecten. Later werd deze gesloopt, op een houten toegangspoortje na.

Er was een enorme variëteit aan woningtypen, allemaal min of meer in de sfeer van Engelse landhuizen. Huizen met trapgevels, met grappige erkers, met prachtige rode of blauwe pannendaken. Lage witgepleisterde huizen met luiken zoals het Lansinkhofje, imposante directeursvilla’s zoals aan het C.T. Storkplein, het hart van de wijk, met onder arcadebogen winkels voor de dagelijkse boodschappen. Hier staat het deftige Hotel Lansink, waar de zakenrelaties van Stork logeerden.

De gedachte om een woonwijk voor alle rangen en standen te bouwen zie je weerspiegeld in oude bewonerslijsten: in 1915 woonden er bijvoorbeeld zo’n 120 werklieden op 19 kantoorbeambten, 31 ingenieurs en technici, 4 fabrikanten en 4 bouwkundigen. Achter de huizen liggen labyrinten van tuintjes, met ligusterhagen en hier en daar een vogelhuisje, flinke lapjes grond waar de bewoners hun eigen groente konden verbouwen. Elke straat, elk huis heeft iets bijzonders.

Op het zuidelijkste punt van de wandeling ligt de grote, halfronde vijver, omringd door wel dertig verschillende boomsoorten, met wat riet en waterlelies. De uit 1922 stammende ’Bad- en Zweminrichting Tuindorp’ wordt grondig gerenoveerd.

Weer terug, op de grens met het oude industriegebied, staat de grote Wilhelminaschool, de bedrijfsschool van Stork, waar de jongens op 12-, 13-jarige leeftijd drie jaar lang naartoe gingen voordat ze kennismaakten met het echte werk. Sinds vorig jaar is er het Techniekmuseum Heim gevestigd. In de oude schoolruimten staan de machinerieën opgesteld waar Stork groot mee geworden is, met gepoetste koperen drukmeters en glimmende oliepotjes. Een maquette van een suikerrietinstallatie, door leerlingen gemaakt in 1914 – vijftig ervan werden verkocht naar Nederlands-Indië in de periode 1890-1900.

Het wordt allemaal wel geïdealiseerd, maar je kunt er met heimwee aan terugdenken: arbeiders die trots zijn op hun werk en op hun baas.

mailIcon print |