Het laatste begijntje liep, zo krom als maar kon, zeventien jaar geleden rond op het oudste Begijnhof van Nederland, in Breda. Cornelia Frijters uit Oud-Gastel, dienstbode bij een landbouwer, was 22 jaar toen zij haar pastoor vertelde begijn te willen worden op het hof van Breda. Uiteindelijk stierf ze, 94 jaar oud.
„Het is een vastgeroest idee dat deze vrouwen klein waren. Vandaar dat ze vaak begijntjes werden genoemd. Ze waren doorgaans wel oud. En het laatste begijntje was inderdaad klein”, zegt Hans Sprangers, conservator van het Breda’s Museum, mede-inrichter van het Begijnhofmuseum.
Midden 13de eeuw kwamen deze religieuze vrouwen bij elkaar in een gewoon huis. Ze vonden dat ze niet thuishoorden bij de vrijzinnigheid van de katholieken en wilden terug naar de sobere, strenge leer van Christus. Ze vormden een ’gemeenschap van vrije vrouwen’. In 1535 kregen de vrouwen een definitieve plek, met huisjes, hofje en kapel. Midden 18de eeuw kregen de huisjes een extra woonlaag. Tijdens de hoogtijdagen zaten er vijftig begijntjes. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog raakten zij hun kerk kwijt aan de protestanten en werd het geloof beleden in een schuilkerk.
Om begijntje te kunnen worden, werd gekeken of de vrouwen gezond waren. Ook moesten ze een bruidsschat meebrengen om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo kon grond van de familie verpacht worden en ging de opbrengst naar de begijntjes toe. Ook verzorgden de vrouwen zieken en deden het huishouden voor stadsgenoten. Rijken uit de stad regelden een soort abonnement dat wanneer ze stierven, de begijntjes elk jaar op die sterfdag voor hen zouden bidden. Afhankelijk van het bedrag kon gekozen worden voor een gebed of ritueel. Zo hoopten de rijken dat door de vroomheid van de begijntjes ook hun ziel op een goede plek in het hiernamaals terecht zou komen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.