Ze is het vertrouwde gezicht van televisieprogramma’s als ’De rijdende rechter’ en de ’Nationale Nieuwsquiz’. Op de radio presenteert ze alweer jaren de succesvolle ’Tros Nieuwsshow’. Mieke van der Weij (52) heeft plezier in haar werk. Maar het is tijd voor iets nieuws. Ze zou wel een talkshow willen – liefst samen met een andere dame. „Ik heb er de bagage en de ervaring voor.”
Het hoort erbij, vindt ze – af en toe een interview geven. „In mijn vak moet je nou eenmaal af en toe je snuit laten zien.” Ze wil zelf ook graag dat mensen aanschuiven in haar radio- en televisieprogramma’s en hun zegje doen. Maar het blijft een precaire aangelegenheid, vindt ze. „Voor je het weet is het voorbij en blijf je zitten met het gevoel dat je niet helemaal hebt kunnen zeggen wat je wilde.”
Laatst was ze te gast bij Catherine Keyl, en toen wist ze weer hoe het was – om niet de interviewer te zijn, maar de geïnterviewde. Er werd nagepraat over de Pink Ribbon-campagne, een actie om de aandacht te vestigen op borstkanker. Afgelopen oktober hing Mieke van der Weij in zowat alle abri’s van Amsterdam, slechts gehuld in het rose lint van de campagne. ’Ik draag het lint voor mijn twee schoonzusjes’ stond erbij. „Ik dacht: als ik iets kan bijdragen omdat ik een bekende kop heb, dan doe ik dat natuurlijk.”
Ze schrok van de foto, vertelt ze. „Ik zag er veel te glamoureus uit. Met dank aan Photoshop leek ik 35, ik had teveel make-up op en een kapsel als Karla Peijs.” Die week verscheen er in Opzij een foto van columniste Karin Spaink, die borstkanker heeft: kaal van de chemo, met één borst en een litteken. „Het verschil is te groot, dacht ik. Na veel zeuren mocht mijn foto over: minder make-up, ernstiger blik. Maar er bleef iets knagen.”
Kort daarna kreeg Mieke van der Weij een brief. Van een vrouw die haar foto zag toen ze op de bus wachtte. Een vrouw met borstkanker. U weet helemaal niet hoe het voelt, schreef ze. Van der Weij schreef de vrouw een brief terug. Dat ze het goed had bedoeld, maar zich achteraf bedacht dat ze het zelf misschien ook niet zo prettig had gevonden om allerlei opgeflufte, kerngezonde dames te zien, als ze borstkanker zou hebben. „Terecht schreef Karin Spaink in Het Parool: ’Pink Ribbon-campagne: voor ons, zonder ons’. Dáár wilde ik het bij Catherine graag over hebben – over dat die campagne wat reëler had gemoeten. Er was me door de redactie beloofd dat er ook vrouwen met borstkanker in het programma zouden komen. Die wilde ik vragen hoe zíj tegen die campagne hadden aangekeken, of zij ook dachten: wat weet jíj er nou van. Maar ja – dan heeft zo’n programma een bepaald format, dus zitten de bekende dames aan de ene kant van de studio op de bank met Catherine, en de dames met borstkanker aan de andere kant, en dan loopt het dus heel anders dan je wilt.” Ze verwijt het niemand, zo gaan die dingen, zegt ze. „Het is ook leerzaam. Als ik zelf iemand interview heb ik ook wel eens het idee: dat en dat moet er uitkomen. Daarmee doe je mensen geen recht.”
Ze groeide op in Genderen, het land van Heusden en Altena, in een protestants-christelijk nest. „De relatie met mijn ouders was niet zo klef als de ouder-kind-relaties van tegenwoordig. Op je twee- drieëntwintigste nog thuis wonen en aan mama’s rokken hangen, kom óp zeg! Ik had een prettige afstand tot mijn ouders, ik ben ze mijn leven lang ’u’ blijven noemen en we worstelden met een pittige generatiekloof. Dat was heel normaal in die tijd. Tegenwoordig is de afstand tussen ouders en kinderen klein, maar het leven van mijn ouders was zo volkomen anders dan dat van mij – dat moest wel botsen. De relatie die ik met ze had was niet zonder problemen, maar wel heel liefdevol.”
Jawel, haar ouders vonden het best leuk dat ze het tot presentator op radio en televisie schopte. „Maar het waren geen types die plakboeken bijhielden. Mijn vader had gemengde gevoelens over mijn werk – hij was er zowel trots als jaloers op. Tegenover anderen toonde hij zich er ingenomen mee, tegen mij kon hij er lullige opmerkingen over maken. Dan zei hij tijdens een ruzie die over iets heel anders ging ineens dat ik sterallures had – echt een beetje onder de gordel. Mijn moeder is er altijd nuchter over geweest – zij was minstens zo trots op mijn broer, die psychiatrisch verpleegkundige is: ’wat hij doet is een stuk moeilijker dan wat jij doet, en hij krijgt nooit applaus’.”
Vertekent de openbaarheid iemands prestaties? „Die lijken al snel groter of belangrijker dan ze zijn. Want waar hebben we het over? Televisie is ook maar televisie hoor.”
Vervormt al die aandacht ook?
„Kijk, ik ben geen Paul de Leeuw of Paul Witteman. Ik ben niet dagelijks op het scherm. Ik word wel eens herkend maar ik kan rustig over straat. Ik was niet in één klap beroemd, ik ben in de loop van de jaren bekender geworden. Heel langzaam gebeurt er dan iets met je. Veel van wat ik doe en zeg wordt gezien en gehoord – en dat heeft invloed op je, denk ik. Na iedere uitzending liggen er drie, vier mailtjes. Het merendeel aardige: goh, we genieten zo van u. Ik krijg veel kleine blijken van waardering, en daardoor word je voortdurend een klein beetje opgepoetst. Ja, daar ontleen ik toch een beetje van mijn eigenwaarde aan.”
De laatste tijd komt Mieke van der Weij weer vaker in het dorp van haar jeugd – om haar ouderlijk huis te ontruimen. Ze gaat er nog wel eens naar de kerk. „Uit nostalgische overwegingen.” Niet naar haar eigen kerk, maar naar die van de Bonders. „Die lijkt meer op de kerk uit mijn jeugd.”
„Mensen denken vaak dat het zwaar is, als je uit een gereformeerd milieu komt, dat je iets van je af moet schudden. Zo heb ik dat nooit ervaren. Ik vind het niet erg dat ik met een bepaald geloof ben opgevoed, een bepaalde richting op ben gestuurd. Je hoort tenminste wel ergens bij. Ik ben nog steeds doortrokken van de gereformeerde moraal. Sterker: ik ben er uit opgebouwd. Woekeren met je talenten – dat werk. En ik ken nog steeds veel van de psalmen uit mijn hoofd.”
Geloof je nog in God?
„Wat een grote vraag! Hoe moet ik die nou goed beantwoorden?” Ze draait opzij, denkt. Na een korte stilte: „Ik denk dat mensen een God scheppen, en niet dat er een God is die de mensen geschapen heeft. Nee, ik geloof dus niet meer in God zoals ik dat als kind heb geleerd, mijn Kinderbijbelgeloof is weg – maar God is me wel vertrouwd.”
„Toen ik naar het openbaar gymnasium ging, leerde ik dat een godsbeeld per cultuur en per tijdvak wisselt – dat relativeerde mijn godsbeeld enorm. Ik realiseerde me dat het dus toeval was dat ik geloofde in de God waarin ik geloofde. Maar het is dubbel. Ondanks het feit dat ik het kan relativeren, kan ik niet zeggen dat ik dús niets met mijn God te maken heb.”
„Ik sta hier in Amsterdam niet ingeschreven bij de gereformeerde kerk – dat maakt me in de ogen van echte gereformeerden een afvallige. Maar in mijn geseculariseerde omgeving word ik heel vaak geassocieerd met gereformeerdheid. Het is met geloof een beetje als in dat gezegde: je kunt het meisje wel uit dorp halen, maar het dorp nooit uit het meisje.”
„Kuitert, zegt je dat iets?” Theoloog Harry Kuitert werd in 1993 in brede kring bekend door zijn bestseller ’Het algemeen betwijfeld Christelijk geloof’. „Zijn hele oeuvre stond bij mijn vader in de boekenkast. Die Kuitert heeft veel kwaad aangericht – ongetwijfeld uit goede bedoelingen, maar toch. Hij heeft met zijn werk zoveel twijfel gezaaid. Mijn vader heeft daar in zijn laatste jaren enorm mee geworsteld. Dat vond ik heel sneu om te zien.”
Licht cynisch: „Maar maak je geen zorgen hoor, de bijbel is heus niet uit mijn leven verdwenen. Ik ben nota bene getrouwd met een bijbelwetenschapper.” Mieke van der Weij is getrouwd met Sijbolt Noorda. Hij was jarenlang bestuursvoorzitter van de Universiteit van Amsterdam, maar geeft sinds september weer college in zijn oude vak. Noorda was een van de initiatiefnemers van de nieuwe bijbelvertaling. „Met Sijbolt deel ik een gereformeerde achtergrond. Dat is geen voorwaarde voor geluk, maar het is wel heel prettig. Als hij een psalm inzet, zeg ik de rest. Leuk.”
Toen ze klein was, hield ze al van de voorgrond, vertelt ze. Als meisje leerde ze gedichten van Annie M.G. Schmidt uit het hoofd: „Hele lappen. Om voor te dragen. Ik ken ze nóg. Dat vermogen heel snel teksten te onthouden komt me nu in mijn vak reuze van pas.” Ze laat een foto zien van het kind dat ze was – een parmantig, lachend meisje, ingekleurd in het rose en lichtgroen van de jaren vijftig. „Ik was zo’n type dat bij feesten en partijen op de tafel werd gehesen. Dan deed ik mijn dingetje, en dan zeiden ze: doe nóg maar iets. Dat was niet mijn idee, maar ik vond het wel erg leuk.”
Ze verhuisde naar Amsterdam voor een studie Nederlands. Haar journalistieke loopbaan begon ze bij Het Parool – vlak voor ze afstudeerde. Al snel volgde de radio en toen werd ze gevraagd voor een screentest van Jules Unlimited. „Ik heb een gezonde dosis ijdelheid en geldingsdrang en toen ik eenmaal voor de camera stond, wist ik: ja, dit past bij mij.”
Het presenteren van Jules Unlimited was meteen het allermoeilijkste wat ze ooit moest doen. „Springend van bergen je tekst opzeggen, of bungelend aan een touw ontspannen een praatje houden. Daarna was alles gemakkelijk: in een warme studio een autocue voorlezen, wat is daar nou moeilijk aan?” Ze denkt even. „Kijk, zo’n improvisatie van een paar uur van Mart Smeets, dát vind ik nou knap.”
Inmiddels heeft ze voor bijna alle publieke omroepen gewerkt. Voor de radio presenteert ze nog altijd ’Met het oog op morgen’ (NOS) en de ’Tros Nieuwsshow’. Allebei succesvolle programma’s. „Ik geloof dat alleen ’Vroege Vogels’ beter scoort. Ik zou het moeilijk vinden om bevrediging te putten uit een radioprogramma waar maar vijftigduizend mensen naar luisteren – ik vind de marge helemaal niet interessant.”
Op televisie deed ze tot nu toe van alles: van show-achtige programma’s waarin ze opkwam in ruisende jurken, zoals de ’Nationale Nieuwsquiz’, tot het veel minder in het oog springende ’Rondje Delta’, over de problemen rond de Zeeuwse wateren. „Ik noem mezelf een duizend-dingen-doekje, een manus-van-alles; ik kan alles en ik vind heel veel dingen leuk.”
Maar bekend is ze vooral van ’De Rijdende Rechter’ (NCRV) – een programma dat ze al weer tien jaar presenteert. Mensen kunnen hun geschillen voorleggen aan een rechter, die ter plekke komt kijken en een uitspraak doet. Na al die jaren heeft ze nog steeds plezier in de mensen die ruzies komen uitvechten over uitritten, overhangende bomen en scheve schuttingen. „Ik kan die mensen heel goed hebben. Vertegenwoordigers van organisaties, díe kan ik wel eens aanvliegen – van die formele types die geen mond opendoen, en zich maar verschuilen achter regeltje zus of zo.”
Toch is ze toe aan iets nieuws. „’Ieder woelt hier om verand’ring/En betreurt ze dag aan dag/Hunkert naar hetgeen hij zien zal/Wenst terug ’t geen hij eens zag.’ Wat ik zeggen wil is: ik doe het allemaal al zo lang.”
Ze aarzelt even bij de vraag wat ze graag zou willen doen. „Het lijkt me ontzettend leuk een journalistiek inhoudelijk programma te maken waarin de achtergronden bij het nieuws worden belicht. Daar heb ik onderhand wel de bagage en de ervaring voor.”
„Weet je, zo’n Pauw en Witteman – niks ten nadele van hen hoor – maar dat zijn wéér twee kerels die een talkshow doen. Matthijs van Nieuwkerk met ’De wereld draait door’ – doet-ie hartstikke leuk, maar het is wéér een man. ’Netwerk’: alleen mannelijke presentatoren. ’Nova’ heeft alleen Clairy. Begrijp me goed, ik zit heus niet iedere avond tandenknarsend voor de televisie, maar ik denk wel eens: zet míj daar nou neer, samen met een andere leuke vrouw. Er zijn genoeg goeie vrouwen hoor, dat is het probleem niet!”
Hebben oudere vrouwen het moeilijk bij de televisie?
Geïrriteerd: „Daar gaan we weer! Nee! Er zijn voorbeelden genoeg van oudere vrouwen die leuke televisie maken. Hanneke Groenteman is doorgegaan tot ze een eind in de zestig was. Kijk naar Sonja Barend, Catherine Keyl. Het is misschien wel een tijd zo geweest dat oudere vrouwen van het scherm verdwenen, en misschien komt het hier en daar nog wel voor, maar ik heb echt het idee dat het minder wordt. Dat heeft te maken met de vergrijzing. Mensen vinden het prettig om toegesproken te worden door iemand van hun eigen leeftijd – je kunt niet alles laten doen door 25-jarigen die nog strak in de lak zitten. Jongeren hebben minder inhoud – gewoon omdat ze minder lang geleefd hebben, minder beleefd hebben.”
„Ik reageer een beetje geïrriteerd omdat zo’n vraag bij mij ook een angst raakt. Natuurlijk vraag ik me wel eens af hoe lang ik nog werk heb. Ik wíl natuurlijk ook graag denken: er is niks aan de hand, ik kan nog jaren mee.” Spottend: „Als ik een beetje leuk opgemaakt ben en het licht is goed, dan ben ik voor 50-plussers nog best een lekker hapje.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.