Bekende en minder bekende Nederlanders kiezen hun persoonlijke motto, leefregel of ultiem inspirerende zin.
’Monteren is een raar vak. Ik werk met het basismateriaal dat anderen gemaakt hebben. De regisseur, de cameraman en al die anderen hebben hun best gedaan om alles zo goed mogelijk te maken. Over dat resultaat heb ik als editor ook een mening. Ik ben altijd aan het analyseren en altijd op zoek naar de pijnpunten. Ik beweeg me tussen dienstbaarheid en creativiteit.
De balans was voor mij soms moeilijk te vinden. Vroeger ging ik vaak fel de discussie aan met de regisseur. Vaak was ik te confronterend. Nu ben ik daarin milder geworden. Het keerpunt kwam toen ik in Hollywood aan de thriller ’Five Fingers’ werkte. Een jongensdroom die uitkwam. Ik dacht daar veel over mijn vak te gaan leren maar ontwikkelde me vooral als mens.
Het positivisme van de mensen op straat maakte een enorme indruk op me. Je wordt vaak zomaar door vreemden begroet. Of komen er zomaar complimenten van mensen die je niet kent. Eens klapte een man bij een supermarkt zijn telefoon dicht en riep dat hij zojuist een belangrijke order had binnengekregen. Van alle kanten werd hij gefeliciteerd, door wildvreemden! De hulpvaardigheid, de saamhorigheid en de hoffelijkheid die ik daar ervoer hebben mij veranderd.
Bij mijn terugkomst voelde de Nederlandse samenleving als een koude douche. Vooral op straat. Wat mij opviel was dat wij Nederlanders zo onbeschoft en bot tegen elkaar kunnen zijn. Daarom vind ik die campagne van dat korte lontje een goed initiatief. We kunnen elkaar met meer respect en geduld benaderen.
Ook in mijn werk probeer ik dat Amerikaanse positivisme door te laten klinken. Ik heb meer geduld. Als het nu niet gaat, misschien morgen. In mijn analyse probeer ik nu veel meer te letten op wat juist goed gelukt is. Mensen denken vaak erg zwart wit. Ze sabelen al snel meedogenloos iets neer. Terwijl je ook eerst naar de geslaagde zaken kunt kijken.
Natuurlijk is niet alles wat ik aangeleverd krijgt goed gelukt. Als editor ga ik dan puzzelen. Mijn taak is het om een film zo goed mogelijk te krijgen.
Ik werkte eens aan een film waarbij de hoofdpersoon niet goed uit de verf kwam. Zowel de regisseur als ik waren niet zo blij met de geloofwaardigheid van de acteur. Ik ben toen rigoureus gaan veranderen. Scènes van deze hoofdpersoon verwijderde ik, of kortte ik in, een andere acteur kwam vaker in beeld. Een nieuwe en betere hoofdpersoon werd geboren in de montagekamer.
Als editor kies ik de stukjes die samen een verhaal gaan vormen. Dat moet een eenheid worden. Een filmverhaal moet lekker lopen, een goede spanning en emotie geven en vooral nooit vervelen. Lengte en beeldritme zijn ook belangrijke werktuigen van een editor. Beeldritme is het enige wat de filmkunst van de andere kunsten onderscheidt. Je kan beelden van een actiescene kort na elkaar monteren en de kijker door dat ritme meevoeren.
Bij elke film probeer ik als editor een emotie te creƫren. Omdat ik wil dat mensen die naar de film gaan er iets aan overhouden. Dat het iets met ze doet.
Vooral bij ’De Tweeling’ is dat erg goed gelukt. Toen bij de eerste screenings enkele vrouwen om mij heen hun ogen niet droog konden houden, had ik mijn doel bereikt.
De Nederlandse filmindustrie is maar klein. Ieder heeft zijn eigen rol in het proces en moet zich daar ook naar opstellen. Acteurs zijn vaak egocentrisch. Dat hebben ze ook nodig, zij moeten zichzelf verkopen. Een regisseur is veel meer een bemiddelaar tussen alle medewerkers. Een producent moet zich weer hard opstellen, de film moet uiteindelijk wel worden gerealiseerd. Editor is de enige rol in die hele industrie die mij past. Van karakter ben ik terughoudend. Ik hoef niet zo nodig op het witte doek of de rode loper. Laat mij maar lekker in mijn kantoor achter een scherm wat rotzooien. Daar voel ik me op mijn plaats.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.