*

 

Doe es chill!

Leonie Breebaart − 19/05/07, 00:00

Jongeren van vandaag staan bloot aan te veel prikkels: computer, mobieltje, iPod en tv (32 kanalen) staan altijd aan. Om dat informatiebombardement te overleven meet de jeugd zich een houding aan van desinteresse: chillen! Dat beweert althans de jonge journalist Rob Wijnberg. Maar is onze digitale en multiculturele wereld echt zo verlammend grenzenloos als hij het voorstelt?

Als vandaag in de media het woord jongere valt, gaat het in negen van de tien gevallen om een probleemjongere: om ontsporende, of minstens niet-sporende jeugd, vaak allochtoon. Over Achmed, die vindt dat Bush dood moet, over Fatima, die een boerka aan wil (of moet?), over Ryan, die met een mes loopt te zwaaien. Alle debatten, gesubsidieerde projecten, en geldstromen voeren naar deze licht ontvlambare groep.

Hoe terecht de zorgen over slecht integrerende jongeren ook zijn, we vergeten wel eens dat de jeugd van nu niet alleen opgroeit in een tijd die oneindig veel multicultureler is dan we gewend zijn, maar ook oneindig veel multimedialer. De veertigers van vandaag (ouders, leraren, politici) zijn nog opgegroeid zónder computer, mobieltje, internet, of games. In hun tijd bestonden er (ongelooflijk) maar twee netten: Nederland 1 en Nederland 2. Ze zijn inmiddels wel een béétje meegegroeid: ze zijn online, hebben een mobieltje, weten nog net wat een iPod is, of een mp3-speler. Ze hebben wel eens naar ’Idols’ gekeken. Maar weten ze ook wat push-content is? Of creality? Of vox-pop? Kijken ze wel eens naar ’Treasure Island’ of naar ’Extreme Home Makeover’? Of naar het SBS-programma ’Probleemwijken’? Spelen ze mee in het wereldwijde internetspel ’Second Life’? Meestal niet.

Door hun technische achterstand hebben de meeste ouders geen idee wat hun kroost op internet uitvoert, maar omdat beeldschermkinderen niet op straat rondhangen, geen rommel of lawaai maken (altijd oordopjes in!) en zo te zien ook helemaal niet tégen ons zijn, vinden wij, drukbezette ouders, het wel prima zo. Hoe ’de jeugd’ die geen last veroorzaakt zich vóelt, daar hoor je niemand over.

Dat deze schijnbaar zo dociele generatie toch een stil protest laat horen, is de opvatting van de jonge filosoof en journalist Rob Wijnberg (25), die onlangs het pamflet ’Boeiuh’ uitbracht. Zonder aarzeling werpt de auteur zich op als spreekbuis van de jeugd: hij belooft ons uit leggen wat haar beweegt. Of beter: wat haar niet beweegt, want de houding van jongeren is er volgens Wijnberg vooral één van desinteresse. Ze zijn overal van op de hoogte, maar niets raakt hen nog. Is er weer een bom ontploft in Irak? ’Boeiuh!’ Dat wil zeggen: zal mij een zorg zijn. Maakt iemand zich druk over de honger in de wereld, dan krijgt zij of hij het vriendelijk advies te ’chillen’. Inderdaad, het Midden-Oosten is ’niet relaxed’, maar: ’doe es chill’: je kunt je beter je eigen leven zo goed mogelijk geregeld hebben: of ’pimpuh’, zoals Wijnberg dat noemt.

Boeiuh, chilluh en pimpuh dus: het klinkt niet bepaald sympathiek, maar Wijnberg betoogt dat deze ongeïnteresseerde houding de enige adequate reactie is op een informatieoverload: als het nieuws je 24 uur per dag, van vier verschillende kanten, bereikt, is het moeilijk om nog geraakt te worden. En als je van alle kanten bestookt wordt door meningen ’waarin de waarheid als een muur tussen mensen en hun overtuigingen is gaan fungeren’ pas je er wel voor partij te kiezen: de passende houding is die van ’openmindedness en een gewillig oor’.

Want volwassenen dénken misschien dat de dramademocratie jongeren opnieuw heeft betrokken bij het politiek debat, maar volgens Wijnberg, die pagina’s lang tegen Ayaan Hirsi Ali uitvaart, is niets minder waar. Voor jongeren is de multiculturele samenleving gewoon een feit. Ze gaan uit met jongeren wier herkomst allang niet meer vast te stellen is: is dat een rasta met Jamaicaanse roots, of duiden die dreadlocks eerder op een Duitser die in de vorige mode is blijven steken? Bovendien: internet is een smeltkroes van rijk en arm, zwart en wit, allochtoon en autochtoon. In zo’n wereld is er geen plaats meer voor absolute waarheid, maar alleen voor pragmatisme. „Politiek moet vooral leuk zijn, een smeltkroes van visies en meningen.”

Niet helemaal duidelijk wordt, of ’chillen’ nu een welbewuste correctie betekent op de dramademocratie, of toch eerder een vlucht uit vragen die wél belangrijk zijn, maar die de jongeren bij gebrek aan levensbeschouwelijk kader, of uit angst uit hun comfortabele leventje geslingerd te worden, uit de weg gaan.

De derde houding die Wijnberg bespreekt, het ’pimpuh’, wijst toch vooral op het laatste: vlucht voor een al te ingewikkelde wereld. Want de informatieoverload leidt niet alleen tot een relaxte, en dus tolerante houding, maar ook tot het tegenovergestelde: extremisme. Om zich te onderscheiden van anderen – en dat wordt door de wereldwijde identiteitsconcurrentie steeds lastiger – doen jongeren steeds gekkere dingen om op te vallen. Zelfs de Hofstadgroep valt volgens Wijnberg onder die categorie: zeggen jullie dat álles mag, dan zeggen wij wat anders! Alle vrouwen die hun benen laten zien zijn hoeren! Maar je kunt even goed aan ’Idols’ meedoen, of je gezicht, je kamer of zelfs je leven pimpen – zoals de EO, altijd de eerste om zulke termen in te zetten, één van haar programma’s doopte. Of je nu extreem doet of juist relaxed: alles is toch maar een houding die niet zoveel te betekenen heeft, zonder inhoudelijke kern.

Eigenlijk, suggereert Wijnberg, protesteren deze jongeren tegen de anonimiteit waarin ze leven. We kennen onze buren niet meer, lopen met een boogje om clubjes jongeren heen, de kruidenier heeft plaatsgemaakt voor de anonieme Albert Heijn, en dat genereert wantrouwen. En wat doet de overheid? Die stimuleert dat wantrouwen door, ondanks alle mooie woorden over verantwoordelijkheid, vooral in te zetten op een restrictief beleid. In uitgaanscentra hangen camera’s, de conducteur is terug op de tram, je moet overal vooraf betalen, steeds meer scholen hebben toegangspoortjes. Wantrouwen is geen fijn klimaat om in op te groeien.

Hoeveel herkenbare (soms overbekende) argumenten Wijnberg ook aanvoert, helemaal overtuigt hij toch niet. Want er zit toch nog steeds een knop op die tv, die dramademocratie stompt niet alleen af, maar woelt ook vragen los die iedereen aangaan, en de internetcultuur verbreekt de anonimiteit net zozeer als ze haar bevordert: je kunt met je oma in Nunspeet en je nichtje in Australië mailen! Eigenlijk komt Wijnbergs redenering vrij dicht in de buurt van de alom bekritiseerde slachtoffercultuur van jonge crimineeltjes: het zijn altijd ouders, onderwijzers en politici die in gebreke blijven. In de chiquere bewoordingen van de jonge journalist: „ünze desoriëntatie weerspiegelt hún desoriëntatie.”

Er is natuurlijk wel iets van waar: volwassenen van nu zwalken tussen het ‘moet kunnen’ waar ze zelf in groot werden tot de nieuwe hardheid, die bij sommige kinderen toch betere vruchten lijkt af te werpen – een ervaringsfeit dat Wijnbergs studentikoze boekje handig omzeilt, maar dat door docenten in achterstandswijken nogal eens benadrukt wordt.

Toch bestaat er wel degelijk een moreel kader, dat door die volwassenen in voorgaande eeuwen en decennia in elkaar geknutseld is, en waar nog dagelijk, concreet, aan gewerkt wordt: het recht. Bij gebrek aan gemeenschappelijk ijkpunt, aan gedeelde levensfilosofie, kun je altijd nog verwijzen naar de wet, waaronder wij allen gelijk zijn. Weliswaar moet die telkens geïnterpreteerd worden, maar ze beweegt ook weer niet met élk nieuw politiek dramaatje mee. En dat geeft een hoop rust. Nog even afgezien wat wij er bij vóelen of vinden, en afgezien van onze gerespecteerde culturele verschillen: wat mág er nou eigenlijk in Nederland en wat niet. En waarom is dat zo?

Een goede gids in dat opzicht is ’Mag dat – wat je wilt weten over recht en rechtvaardigheid’. Het bundelt een elftal bijdragen van hoogleraren, zo opgeschreven dat een kind van tien ze kan begrijpen. We komen te weten dat kinderen ook strafbare feiten plegen, en dat ze daarvoor gestraft mogen worden, maar alleen vanaf een bepaalde leeftijd. We leren dat een zeldzame dier de bouw van een bedrijventerrein kan tegenhouden (milieurecht) – al was in het geval van de korenwolf het diertje net uitgestorven toen de actievoerders hun recht eindelijk hadden gehaald. We lezen over de vreemdelingenwet, die steeds strenger geworden is, over het recht op privacy (je mag niet zomaar overal camera’s ophangen), over het recht op onderwijs (en de plicht op school te verschijnen). We leren dat er zelfs tijdens een oorlog regels gelden – al worstelt de auteur van deze bijdrage zichtbaar met de vraag of Amerika Irak mocht binnenvallen. We leren dat slachtoffers vaak de schuld krijgen van wat hen is overkomen. „Dat heet blaming (spreek uit bleeming) the victim.”

Kortom: pubers leren dat we wel degelijk grenzen hanteren, maar ook weer niet zo absoluut dat er geen discussie over mogelijk is, of dat de straf altijd aan ons rechtsgevoel beantwoordt. Recht – en waarheid – zijn menselijke maaksels. En dat alleen al is een les in realiteit, die de mateloosheid van de multiculturele en digitale samenleving indamt.

Jammer genoeg kunnen sómmige hoogleraren het niet laten een paternalistische toon aan te slaan, die twijfel aan ons rechtsysteem bij voorbaat moet uitbannen. De auteur die uitlegt wat fraude is, en dat je daarvoor best slim moet zijn, haast zich mogelijke ambities in die richting de kop in te drukken: „Hoe slim ook, het blijven gemene boevenstreken!’” Het oude Balkenende-toontje.

Ook met twijfel aan de misdadigheid van illegale arbeid, waar half Nederland al van afhankelijk is, wordt korte metten gemaakt: „De hardwerkende Polen kun je nauwelijks boeven noemen. Maar de mensen die de Polen hier aan het werk zetten, zijn wel boeven. Ze heten koppelbazen en horen bij de georganiseerde misdaad.’”

En dan het voorbeeld van de scholier die geschorst wordt, nadat zijn váder hem gedwongen had een ander kind een klap te geven. „Niet echt rechtvaardig voor het kind, maar nu hij weg was, werd het op school wel een stuk rustiger.” Zulk cynisme is niet relaxed. En zolang volwassenen doen of ze – gelegitimeerd door de wet – de waarheid in pacht hebben, zullen ze de wereldse en mondige jongeren van nu alleen van zich afstoten. Andersom is de mateloosheid van het digitale tijdperk ook weer een íets te makkelijk excuus voor afzijdigheid. Kwestie van een knop omzetten.

mailIcon print |