In het Pakistaanse grensgebied met Afghanistan hebben vrouwen nauwelijks rechten. Maar voor het eerst zijn er nu vrouwenorganisaties actief.
Ahman Masal Khan en zijn stamgenoten hadden al een plan klaar om Khalid Usman van vrouwenorganisatie Kwendo Kor, Zussenhuis, in elkaar te slaan nadat ze hem hadden uitgenodigd in hun dorp. Maar na de bijeenkomst waren ze van gedachten veranderd. „We realiseerden ons dat hij helemaal niet tegen onze religie is. Toen dachten we dat we hem toch beter niet konden aanvallen.” Khan is nu vrijwilliger en lacht een beetje beschaamd. De tien andere vrijwilligers in het kantoor herkennen het verhaal en barsten in lachen uit.
Zussenhuis is één van de weinige organisaties die het aandurft in de zogenaamde getalibaniseerde gebieden in het grensgebied met Afghanistan te werken, met gevaar voor eigen leven. In 2004 raakten een chauffeur en medewerkster in het district Bannu ernstig gewond toen ze werden aangevallen door gewapende mannen. Sindsdien heeft de lokale overheid een gewapende bewaker beschikbaar gesteld die op alle werkbezoeken meereist.
Zussenhuis strijdt voor vrouwenrechten en educatie. Meer dan 12.000 kinderen, vooral meisjes, hebben er sinds haar oprichting in 1993 hun weg naar school door gevonden. In Bannu, waar de stamleden wonen, zijn sinds 2003 zes buurtscholen opgericht voor meisjes en tien vrouwencomités met 20 tot 25 vrouwen. Dat lijkt weinig, maar het is een grote stap vooruit, zegt Khalid Usman, regionaal manager van het Zussenhuis voor Bannu. „Als je duizenden jaren van houding moet veranderen, kost dat tijd. Het is enorm bemoedigend dat het is gelukt om tien vrouwenorganisaties op te richten in een gebied waar vrouwenrechten eigenlijk niet bestaan.”
Minder dan één procent van de vrouwen kan lezen en schrijven in het tribale gebied, zegt Mariyam Bibi, de oprichter van Zussenhuis. In een systeem van eer en een misplaatste interpretatie van de islam mogen vrouwen hun huizen slechts bij uitzondering verlaten. Dat leidt tot dramatische situaties, bijvoorbeeld als een vrouw ernstig ziek raakt, zegt Bibi. Vrouwen mogen niet behandeld worden door mannelijke doktoren. „Misschien als ze op het punt staat om dood te gaan, dat ze dan naar het ziekenhuis mag. En dan zijn er duizenden problemen. Er moet een auto gehuurd worden, een vertaler, want tribalen voelen zich niet op hun gemak of ze begrijpen de taal in de niet-tribale gebieden niet, ze moeten een verblijfplaats en geld vinden en in de tussentijd gaat ze dood.”
Met een beleid van ’niet overnemen, maar assisteren’ probeert Zussenhuis de stamleden voorzichtig over te halen vrouwen meer bewegingsvrijheid geven. „Zij maken de besluiten. Het is op hun voorwaarden, hun agenda. Al onderwijzen ze alleen maar de sunna, Koran en sharia; de educatietrend moet ergens beginnen. Dan hebben ze tenminste een idee hoe vooruit te komen. We kunnen zelf een beetje regulier onderwijs toevoegen”, zegt Bibi, die nog altijd een strijd voert met haar tribale familieleden over haar ’oneerbare’ werkzaamheden.
Religieuze leiders houden de tribalen voor dat educatie van vrouwen niet islamitisch is, ondanks dat de Koran en de Hadiths – uitspraken van profeet Mohammad – mannen én vrouwen expliciet opdragen om te leren. „We geloofden het en we keken niet naar de consequenties”, zegt Abdullah Khan, refererend aan de armoede in het tribale gebied. Zijn dochters van 6 en 9 gaan sinds twee jaar naar school.
Ook de grijze Ajab Khan zegt in te zien hoe belangrijk het is om de vrouwen in zijn familie te scholen. Zijn vrouw en dochter hebben hun eigen thuisonderneming opgezet na trainingen van Zussenhuis in borduren, knooptechnieken, stof verven en handwerken. Die cursussen helpen vrouwen economisch onafhankelijker te worden. Ajab vindt het een oplossing. „We hebben extreme armoede en alleen zo kunnen we er iets aan doen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.