*

 

Andere kink in de kabel: de oudste zoon is zelf internist. Of erger nog, een jonge internist.

Bert Keizer − 06/01/07, 00:00

’Wij komen het leven binnen via de arcus pubis en verlaten het via de collum femoris”, aldus een medisch gezegde uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. De arcus pubis is de schaamboog, de benige richel die u onder de huid kunt voelen als u vanaf uw geslachtsdeel noordelijk koerst. Als kind hebben we ons allemaal een weg naar buiten moeten banen onder deze boog door, tenzij vlak voor de uitgang weggegrist door een keizersnede.

De collum femoris is de dijbeenhals. Als een oudere dame haar heup breekt (het gaat meestal om dames) dan heeft men het over een breuk in dit stuk bot. Om u een idee te geven van hoe dit er uitziet, denk aan een Y maar dan zonder de linker steel.

Laat vervolgens de rechtersteel in een knobbel eindigen en u bekijkt de rechter heup van voren. Er is sprake van een hals waar een kop op zit en die past mooi in de heupkom. Op deze dijbeenhals komt aanzienlijke kracht te staan, vooral als u zich vergist in het afstapje.

Hij is zo breekbaar doordat we rechtop zijn gaan lopen. Viervoetend drukt er slechts een kilo of twintig op. Een tweede factor is veroudering, met als gevolg botontkalking en daarmee verlies aan stevigheid. Vijftig jaar geleden betekende een gebroken heup veel pijn, gedwongen bedrust en in het kader daarvan vaak de dood. Dat is niet meer zo. Chirurgen hebben fraaie technieken ontwikkeld met schroeven, plaatjes en pennen om de gebroken dijbeenhals weer aaneen te krijgen. Zo’n gerepareerde heup is al heel gauw weer belastbaar.

Ondanks deze technieken en de snelle belastbaarheid blijkt dat in de periode volgend op de ingreep een aanzienlijk percentage van de geopereerde patiënten toch overlijdt. De gebroken heup, zo blijkt, moet dan eerder gezien worden als een symptoom van onderliggende problematiek, die niet altijd te omschrijven valt in de duidelijke termen van een ziektebeeld.

Je komt dan terecht in ’ouderdom, aftakeling, achteruitgang’ en dergelijke. Omdat je dit allemaal weet zul je bij een gebroken heup in een dementerende man of vrouw die toch al niet zo goed ter been was eerst tot tien tellen voordat je hem of haar naar het ziekenhuis stuurt. Ze komen daar hoe dan ook beroerder uit terug en de vraag is of er nog genoeg overblijft na de ingreep.

Maar als je zo iemand niet laat opereren, wat doe je dan?

Dan volg je de ouderwetse koers naar het einde, die nu zo idioot lijkt in het zicht van de verbeterde technieken van dijbeenhalsreparatie. Het is moeilijk om een ogenschijnlijk zo zonnige weg niet in te rijden en in plaats daarvan een koers uit te zetten die regelrecht in de berm eindigt. Dat wil zeggen, je legt de zieke in bed, zorgt voor goede pijnbestrijding en als dat betekent dat eten en drinken niet meer lukken, dan wacht je rustig het einde af.

Hoe besluit je zoiets?

We stuiten hier op een van de moeilijkste aspecten van klinische besluitvorming. Waar ligt de minste ellende? Statistieken helpen niet omdat voor de mensen die het moeten doormaken maar één percentage geldt: honderd!

Als verpleeghuisarts ken je de mens achter de heup en de familie daaromheen al vele maanden, soms jaren zelfs. Er groeit dan een gedeelde waarneming over de aard van het leven van een dementerende man of vrouw en vanuit die kennis kom je vrijwel altijd tot een unanieme beslissing over opereren of niet.

Vrijwel altijd ja, maar vaak loopt het anders.

Als de dochter haar zelfverwijt over de verpleeghuisopname omsmeedt tot woede op het personeel dan kom je er rond een gebroken heup niet uit samen.

De dochter is immers nog steeds kwaad omdat er vorige week wéér poep onder moeders nagels zat (moeder graaft elke nacht opnieuw de ontlasting uit haar luier). En als mensen die ’te beroerd zijn daar wat aan te doen’ nu ook nog met het voorstel komen om een gebroken heup niet te opereren, dan regent het gauw verwijten in de trant van: „Willen jullie haar dan dood hebben? Worden die oudjes te duur soms?” Nee hoor, de ambulance komt er al aan.

Andere kink in de kabel: de oudste zoon is zelf internist. Of erger nog, een jonge internist. Dan is zo’n terughoudend beleid alleen mogelijk als hij zelf op het idee komt, want hij laat zich niets dicteren door een arts uit een of andere vage discipline.

Een uitzonderlijk bekwame verpleeghuisarts slaagt er onder die omstandigheden in zijn internistische collega zodanig te kneden dat deze denkt dat hij zelf met de briljante suggestie is gekomen om niet te opereren. Maar dat is weinigen gegeven. Ik hoor de ambulance al. Bevindt de dijbeenhals zich in een mediterrane dame of heer, bel dan maar meteen een ziekenwagen, want de familie ziet reeds bij de ingang van het verpleeghuis dat die zogenaamde terughoudendheid alleen maar discriminatie is.

Hele werelden botsen rond de breekbare dijbeenhals en die hebben niets met schroeven, plaatjes en pennen te maken.

mailIcon print |