*

 

Aankomen met een zeilboot heeft altijd iets van een anticlimax.

Jan Kuitenbrouwer − 04/01/07, 00:00

Zo aan het begin van het nieuwe jaar had ik de hoofdredactie graag een budgettair meevallertje gegund, maar helaas, we zijn niet vergaan op weg naar Amerika. Op maandag 20 december om acht uur savonds voeren we de jachthaven van Martinique binnen. Met enig bekijks, mag ik wel zeggen, want we werden gesleept.

Atlantische Overstekers zijn hier in dit jaargetijde niets bijzonders, als een van de meest oostelijke Caribische eilanden is Martinique een geijkte eindhaven, maar een sleep trekt nog wel enige aandacht. Aankomen met een zeilboot heeft altijd iets van een anticlimax. Motorschepen komen majesteitelijk aangestoomd en meren waardig af, dek en railing hoog verheven boven de kade, terwijl een zeilboot binnenloopt als een schim van zichzelf, met gestreken zeilen, braaf horizontaal in het water, voortgestuwd door een pruttelend hulpmotortje; weinig herinnert nog aan de atletische bravoure waarmee zij zich door de golven sloeg. Binnengesleept worden draagt dan vreemd genoeg juist weer bij tot je prestige. Zeilen zonder motor is tegenwoordig zoiets als bergbeklimmen zonder zuurstof.

Dat was de grootste tegenslag: dat de motor ermee ophield.

Op een gegeven moment hadden we een paar uur achter elkaar geen enkele wind. Dan kun je even zwemmen, een klusje doen waar je varend niet aan toekomt, maar als dat allemaal gebeurd is wil je wel weer verder.

De oversteek is een kleine 3000 zeemijl en met de hoofdtank tot de rand gevuld en een paar extra jerrycans benedendeks hadden we voor ongeveer 500 mijl diesel aan boord. Daar moet je dus wijs mee omspringen, maar aangezien de geen-windkans op deze route in dit jaargetijde slechts 5% bedraagt, leek het ons wel verantwoord even een paar uur de motor aan te zetten. In het begin was er niets te merken, maar geleidelijk aan zakte het toerental, tot we op een gegeven moment amper meer vooruit kwamen. Dat hadden wij weer! Je verliest je roer, er breek een mast, bemanningsleden worden ziek, je raakt verzeild in een storm, de zeilbladen staan er vol mee, maar een falende motor, daar hoor je nooit over. We schroefden de zaak open, controleerden leidingen, vervingen filters, maar niets hielp. De dealer in Nederland, telefonisch geraadpleegd, wist het op een gegeven moment ook niet meer. We gaven het op. We waren weer een zeilboot.

Le Marin, de oostelijkste jachthaven van Martinique, ligt in een ’cul de sac’, een doodlopende waterstraat, zeg maar, die gaandeweg ondieper wordt. Waar je geadviseerd wordt op de motor over te schakelen hadden wij geen keus dan om door te zeilen. Met wind mee gaat dat nog wel, maar alsof de duvel ermee speelde kregen we hem tegen. Dan moet je kruisen, zigzaggen, in een steeds nauwere ruimte. Toen we móesten reven omdat we anders op de rotsen zouden lopen, kwam ons een grote catamaran achterop. ’Ahoi!’ riepen we (want dat roep je dan), ’engine trouble! Can you tow us?’

De schipper vertrok geen spier, knoopte ons vast en sleepte ons de haven in.

U heeft trouwens veel gereageerd, op ons reislog. Hartelijk dank daarvoor, en een behouden 2007.

mailIcon print |