Pispotjes noemden we de spierwitte bokalen van de haagwinde, als we langs het ’zwarte pad’ naar school liepen. Naast de spoorlijn klom de winde hoog op in het roestige gazen hek. Haagwindestengels overdekken heggen en kreupelhout, slingeren zich omhoog in het riet en kruipen op dijken tussen de basaltblokken. De stengels dragen langwerpige bladeren met hoekig hartvormige voet. Twee hartvormige blaadjes omsluiten de groene kelk, waaruit de witte bloemen als een ineengedraaide puntzak tevoorschijn komen. Open hebben ze de vorm van een pathofoonhoorn. De vijf meeldraden sluiten zo nauw om de stamper dat ze een kolom midden in de bloem vormen, waarlangs insecten kunnen afdalen. Nectar wordt helemaal onder in de bloem afgescheiden. Daar kunnen de insecten niet zomaar bij, want de verbrede bases van de meeldraden sluiten de toegang tot de nectar af op vijf nauwe openingen na. Jac.P. Thijsse vermeldt de zeldzame windepijlstaart als nachtelijke bestuiver, maar het is de vraag of hij dat zelf heeft gezien, want gewoonlijk sluiten de bloemen zich voor de nacht en je ziet er nooit nachtvlinders op. Hooguit dagvlinders zoals de vuurvlindertjes, die ik regelmatig in haagwindebloemen zie. Evenals zweefvliegen, honingbijen, tuinhommels en vooral akkerhommels.
Haagwinde is in tuinen een berucht wortelonkruid, omdat het zich ondergronds met een wortelstok verbreidt en ook kruipende stengels in het rond zendt, die in de bodem dringen en daar een knolletje vormen dat tot een plant kan uitgroeien. Mijn vader noemde de haagwinde in zijn moestuintje duivelsnaaigaren, een volksnaam die nog altijd in Zuid-Holland wordt gebruikt. In Vlaanderen denken ze vriendelijker over de haagwinde. Daar noemen ze de bloemen onslieveherenshemdekes of onsliefvrouweglazekes.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.