tv
Het is een wereld die we niet willen zien, omdat hij zo lelijk is. Een verzameling slagaderen die grote delen van het land bedekt heeft en nog altijd om zich heen grijpt. Een erkende natuurramp, maar - hypocriet als we zijn - ook een uitkomst. Stiekem zijn we maar wat graag één met de snelweg en alles wat er in de periferie daarvan is aangekoekt. Het Zoab als één grote vluchtstrook voor het dagelijks leven. Omdat het asfalt de plek is waar je nog in je neus kan peuteren zonder dat iemand het ziet. Waar je parkingsex kunt hebben zonder de buurman tegen te komen. Waar je harder durft te zingen dan onder de douche en waar je niet alleen remsporen kunt achterlaten op de ringweg, maar ook op de wc’s van Texaco. De A9, het tankstation, de wegrestaurants en de parkeerweides; we brengen er een groot deel van ons leven door, maar houden dat het liefste onder de pet. Omdat het ons laatste stukje privé is. Dat we zowel verafschuwen als koesteren. Als een frikandel die je uit de muur trekt: vies en lekker tegelijk. Het snelwegleven, kortom, is ons enige ware ‘second life’. En er is geen weg terug.
Regisseur Boris Gerrets zag de artistieke mogelijkheden van ons tweede leven rondom het asfalt en maakte - voor eventjes dan - korte metten met de afgezonderde status van de weggebruiker. In zijn documentaire ‘Droomrijders’ (Ikon, donderdag, Nederland 2) legde hij schaamteloos vast hoe het wegennet onze tweede biotoop is. De armoede van het geldschoteltje bij de toiletten. De bijbehorende man in witte stofjas - die dat schoteltje bloedserieus bewaakt en de geur van pies en poep dapper weerstaat. De jongen bij het tankstation die onhandig flirt met het meisje achter het gewapende glas. De R & B-zangeres, die de X-factor wel heeft, maar schijnbaar alleen in de veilige omgeving van de kooiconstructie.Er wordt weinig gezegd in Droomrijders en dat moet ook niet. Langs de vangrail - waar de bestuurder meestal de enige passagier is - hebben de zwijgers het voor het zeggen. Bloot aan een ander sta je alleen in de file met een vluchtige blik opzij. En wat dan nog? Je kent je buren niet, dus die veel te grote zonnebril blijft op de neus. De benen blijven languit op het dashboard met de stereo op tien. De brand in de zoveelste sigaret geeft het teken voor de volgende kilometer. En zo raast de camera van Gerrets maar door. Lak hebbend aan het debat over mobiliteit, files, infrastructuur en milieu.
Dat is meer besteed aan Francine Houben, die in Avro’s ‘Vergezicht’ ( zaterdag, Nederland 1)de wereld af reist om te laten zien hoe ze daar omgaan met onze drang om ons te verplaatsen. Verschillende metropolen doet ze aan en zo vergelijkt de architecte de verkeersoplossingen ( of tekortkomingen ) daar met die in onze Randstad. In Jakarta is nog nauwelijks een metronet, in Tokio rijden ze om de paar seconden. Los Angeles, Jakarta, Tokio, het Ruhrgebied; overal vraagt de situatie om een ander antwoord. Maar de oorzaak is steeds hetzelfde: een diep verlangen naar een vluchtstrook.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.