De grootste vakcentrale in Nederland, de FNV, is het resultaat van een fusie in 1976 tussen het toenmalige Nederlands Verbond van Vakcentrales (NVV) en het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV). Het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) deed op het laatste nippertje niet mee. Ik herinner me nog dat dit de club niet in dank werd afgenomen. Het CNV werd afgeschilderd als een spelbreker. Eigenwijs als het was, stond het kleinste vakverbond het machtsstreven van de vakbeweging in de weg om één vuist te maken tegen onwillige werkgevers en als het moest ook tegen een onwillige regering.
Desondanks heb ik de keuze van het CNV altijd van harte toegejuicht. Weliswaar is er veel dat werknemers gemeenschappelijk hebben, maar er is ook veel dat hen van elkaar onderscheidt en zoals ik het zie, is het van belang dat die verschillende visies ook tot uitdrukking worden gebracht. Zeker, ik weet ook wel, dat het daardoor soms (lang niet altijd overigens) moeilijker is om resultaten te boeken. Daar staat tegenover dat het denken over allerlei zaken meer diepgang en reliëf vertoont. Een pluriforme samenleving is nu eenmaal boeiender dan één waarin het grootschalige, monoculturele machtsstreven van eendimensionale denkers de toon aangeeft. Als je het mij vraagt, is het een zegen geweest dat het CNV niet heeft meegedaan.
Ik wreef me daarom de ogen uit toen ik deze week kennis nam van de troebele opvattingen van de algemene ouderenbond Anbo. De bond stapte met enige bombarie uit de koepel CSO, waarin hij samenwerkte met de protestantse PCOB, de katholieke Unie KBO en de Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden (NVOG). Reden: de Anbo vindt het de hoogste tijd dat de bonden zich aaneensmeden tot één bond, door zich aan te sluiten bij de Anbo. Per slot van rekening is dat een algemene organisatie, waar iedereen lid van kan worden. De andere bonden daarentegen orienteren zich op geestelijke stromingen waar veel jongere ouderen geen enkele binding meer mee hebben.
Hoe heb ik het nu? Is één grote, algemene bond het enige, juiste antwoord op de pluriformiteit van de samenleving? Moeten we koekoek één zang laten horen als reactie op de grote diversiteit? Ik zou zeggen: we mogen juist blij zijn dat er tenminste nog bonden zijn die aan die diversiteit op hun eigen manier vorm en inhoud proberen te geven. Eén grote, algemene ouderenbond is per definitie grijs en grauw. Wat kleur kan daarom geen kwaad en waarom zouden we die kleur niet protestant of katholiek mogen noemen? Is dat niet meer van deze tijd, zoals de Anbo veronderstelt? Ik zou zeggen: weg met die bond. Wat heb je aan zo’n grauwe club. Maar misschien zie ik het wel helemaal verkeerd. Vandaar mijn vraag: Heeft een levensbeschouwelijke ouderenbond nog bestaansrecht?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.