*

 

Maar er is een levensstadium waarin velen ervaren dat het mooi is geweest.

Bert Keizer − 27/01/07, 00:00

Mevrouw S., oud-communist, begin jaren zestig nog op kosten van de Partij naar Moskou geweest, vertelt over een zeker overlijdenspatroon in haar kring. Het gebeurde nogal eens dat een kameraad dodelijk ziek was, longkanker vaak, want partijleden waren vrijwel allemaal zeer zware rokers. Wat haar opviel was dat veel van die gedoemde kameraden een afscheidsbezoek brachten, zo tegen het einde van hun ziekte. Zij reisden dan langs de her en der in het land verspreid wonende kameraden, oude strijdmakkers in het verzet, en ze waren nog geen dag terug van de reis of ze vielen thuis dood neer. Zij begreep hun zekerheid niet bij het afscheid. „Lies, ik zal je nooit meer zien, je wordt bedankt voor alles wat je voor me gedaan hebt al die jaren.” Vervolgens werd ze innig omhelsd, en, groot pragmatica die zij is, omhelsde ze ook ferm terug, maar inwendig dacht ze: hoe weet ie dat nou dat we elkaar nooit meer zullen zien? En als ze die twijfel hardop uitte was het antwoord: „Nee, het is gedaan met me, we zien mekaar nooit meer.”

Pas vele jaren later werd haar het geheim van deze wonderbaarlijk goede timing duidelijk. Zoals ik al zei, het ging om verzetsmensen, en die hadden in de oorlog een doodpil bij zich voor het geval van arrestatie, om doorslaan bij martelen te voorkomen.

Haar kameraden hadden hun pil zorgvuldig bewaard en maakten er zonder veel omhaal gebruik van toen de nood aan de man kwam. Niemand had het over autonomie of dat je het eigenlijk zou moeten melden. Mevrouw S. verklaart dat door haar verhaal met een diepe zucht te besluiten: „Ach ja, het verzet hè, die mochten altijd alles.”

Het lijkt er op dat we opnieuw een groep mensen in ons midden hebben, die op bovenstaande nuchtere wijze hun leven zouden willen beëindigen. Een van deze tachtigplussers deed zijn verhaal dat eindigde in zelfdoding aan Eén Vandaag en de redactie ontving duizenden reacties. Duizenden!

Daar zullen afwijzers bij gezeten hebben, maar mijn inschatting is dat de meeste reageerders vinden dat iets dergelijks moet kunnen. Het idee om een goed werkende zelfmoordpil te verstrekken aan ouderen die niet ernstig ziek zijn, maar die toch niet verder willen leven lijkt zo eenvoudig. De vraag is alleen: hoe regelen we dat?

Voordat we ons verder wagen in dit ongezellige gebied wil ik eerst afscheid nemen van de ploeg gospelsingers die bij betreding van deze regio steevast het volgende refrein aanheffen: in wat voor gemeenschap leven wij als we ouderen in plaats van liefde een overdosis aanbieden? Ik denk dat zij niet begrijpen waar het over gaat. Op hun verontwaardiging past maar één antwoord.

Zij krijgen één of meerdere hoogbejaarden met een geleegde levensbeker mee naar huis, en gaan er voor zorgen dat die mensen ophouden met dood te willen door hen weer redelijk gelukkig te maken. Inmiddels keren wij terug naar planeet aarde. Uit het feit dat er duizenden reacties komen op een tv uitzending mag je misschien concluderen dat er duizenden ouderen zijn die hun leven zouden willen beëindigen.

Niet uit bitterheid, niet om wraak te nemen op het leven, niet om hun kinderen voor altijd een naar gevoel te bezorgen, niet omdat wij zo geheel zonder liefde zijn, al kan dat allemaal meespelen, maar er is een levensstadium waarin velen ervaren dat het mooi is geweest.

üén van de meest onderschatte aspecten van hoge ouderdom is de omstandigheid dat je de hardste klappen die het Noodlot uitdeelt moet zien op te vangen als je zelf in geestelijk en lichamelijk opzicht minder weerbaar bent dan ooit. Wie man of vrouw verliest op zijn veertigste die kan nog overeind veren na een jaar of vijf. Of tien.

Voor tachtigplussers is dat nauwelijks haalbaar, terwijl partnerverlies in die jaren bijna onontkoombaar is. Daarnaast moet je het in hoge ouderdom stellen met een lichaam dat dertigers als een aanfluiting zouden beschouwen, en ik heb het niet alleen over seksuele aantrekkelijkheid.

Op dit ogenblik heb je in die situatie geen andere keus dan te wachten op de dood, die zich aan geen enkele dienstregeling houdt.

Om deze toestand zo mogelijk nog ondraaglijker te maken is er het niet geringe risico dat je alvorens in alle rust het graf in te mogen stappen, eerst nog over een vreselijke hindernis gejaagd gaat worden in de vorm van een ernstige medische complicatie.

Slechtziend, doof, duizelig, stram, incontinent en valgevaarlijk als je al bent, stapelt het Noodlot in blinde ijver nog een extra probleem op je broze rug.

Een botbreuk, geestelijke aftakeling, kanker, voor een oud lichaam heeft de Natuur van alles in de aanbieding. Het risico om te dementeren boven de vijfentachtig is bijvoorbeeld 40 procent.

Is het niet begrijpelijk dat mensen uit een dergelijke situatie met geheven hoofd zouden willen wegstappen?

Rond euthanasie is het gelukt om tot een redelijke afspraak te komen wanneer het mag. Ik denk dat we ook rond dit thema tot een regeling kunnen raken als we er voor gaan zitten. De vraag is alleen: wie durft?

mailIcon print |