*

 

Het christelijk- rode driemanschap neemt risico met plaats in het kabinet

Hans Goslinga − 10/02/07, 00:00

Piet de Jong, premier tussen 1967 en 1971, gaf naderhand laconieke verklaringen voor het geheim van zijn geslaagde kabinetsformatie. Je moet niet denken, zei hij, dat je allemaal Piet Heinen kunt krijgen. „Er zitten ook zwakke figuren bij. Maar zolang het geen uitgesproken zwakke figuren zijn, is de ramp wel te overzien”. Op een ander moment zei hij: „Ach, je moet je daar geen overdreven voorstelling van maken. Het lijkt een beetje op een spelletje patience. Een vervelende vent moet je niet accepteren”.

De relativering paste bij De Jong. Als commandant van de onderzeeboot O-24 had hij in de oorlogsjaren de dood meer dan eens in de ogen gezien. Nadien was hij niet meer zo makkelijk van zijn stuk te brengen, ook niet toen de aanstormende generatie van de babyboomers Nederland tijdens zijn premierschap op zijn kop zette. Hij leidde het land op kalme wijze door de roerige tijden, bracht zonder veel misbaar tal van hervormingen tot stand en haalde met zijn kabinet ongeschonden de eindstreep. Waarna zijn partij, de katholieke KVP, hem afdankte.

Tegen die achtergrond konden zijn laconieke opmerkingen naderhand als een kleine, maar fijne afrekening met de beroepspolitici uit die dagen worden verstaan. Hij had het dan toch maar gered met ministers die de gereformeerde Barend Biesheuvel eerder te licht had bevonden voor het ambt. En hij had als betrekkelijke buitenstaander in de politiek de volle rit uitgezeten, waar enkele jaren eerder de gepokte en gemazelde Cals en Vondeling met hun ’kabinet van sterke mannen’ al na anderhalf jaar waren gesneuveld.

Om meer dan één reden kunnen de leiders van de nieuwe christelijk-rode coalitie uit deze geschiedenis lering trekken, nu zij aan de bezetting van de ministersposten toe zijn. Net als zij nu trad het rooms-rode kabinet van Cals en Vondeling aan met grote ambities en pretenties. ’Wij werken voor het jaar 2000’, luidde het motto van de regeringsverklaring waarmee Cals in de Kamer verscheen.

Net zo sterk als Balkenende, Bos en Rouvoet, die het leiderschap opeisen ’in een nieuwe fase van ontwikkeling van de Nederlandse samenleving’, waren hun voorgangers zich bewust van de wisseling der tijden. De katholiek Cals en sociaal-democraat Vondeling zagen voor hun kabinet zelfs een rol weggelegd die tot aan het, toen nog futuristische, jaar 2000 zou reiken. Het kabinet erkende voor het eerst dat Nederland niet langer een ’christelijke natie’ was en stelde als grondslag van het regeringsbeleid christendom en humanisme op één lijn. In dat licht is het ironisch dat vrijzinnigen juist op dit punt twijfel uiten aan de intenties van de nieuwe christelijk-rode coalitie.

In de ambities schuilt ook voor het aanstaande kabinet een gevaar, omdat ze pretenties van politici versterken en in de samenleving hoge verwachtingen wekken. De Jong begon destijds met de relativerende opmerking dat hij wel ’op de winkel zou passen’. Hij bedoelde dat anders dan het destijds is verstaan, maar het lage profiel bracht het voordeel mee dat zijn kabinet in betrekkelijke luwte allerlei hervormingen kon doorvoeren. Het nadeel was dat de wapenfeiten niet de erkenning kregen die zij verdienden.

Pas enkele jaren geleden is echt doorgedrongen dat het als conservatief bekendstaande kabinet-De Jong veel meer aan hervormingen tot stand heeft gebracht dan de pretentieuze ploeg van PvdA-leider Joop den Uyl, die kort nadien aantrad als ’het meest progressieve kabinet van de eeuw’. De geschiedenis laat dus zien dat kabinetten die met veel idealisme en ambitie van start gaan het zichzelf niet gemakkelijk maken. De katholiek Beel, de godfather van de Nederlandse politiek in de jaren vijftig en zestig, wees na de val van het kabinet-Cals in 1966 de samenstelling van de ploeg als een van de belangrijke oorzaken aan.

In een notitie aan de koningin schreef hij dat ’ondanks de aanwezigheid van zeer intelligente figuren, onder wie de minister-president, het kabinet het vertrouwen niet in brede kring heeft weten te winnen’. Het lijkt erop, vervolgde hij, dat men uitziet naar ’figuren die, ook al zijn zij minder bekwaam, vertrouwenwekkend zijn’. Achteraf rijzen in deze passage al de met potlood getrokken countouren op van het kabinet-De Jong.

Deze ervaringen roepen andermaal de vraag op of het van Balkenende, Bos en Rouvoet wijs is alledrie tot het kabinet toe te treden. Hun toenmalige voorgangers bleven buiten de ploeg van De Jong, die daardoor minder gevoelig was voor meningsverschillen tussen de coalitiepartijen en in een betrekkelijke luwte kon opereren. In het aanstaande kabinet zal elke politieke onenigheid of spanning in de coalitie direct doorslaan naar het driemanschap.

Voorafgaand aan de presentatie van het regeerakkoord demonstreerden Balkenende en Bos grappend en grinnikend aan de natie dat zij na de scherpe verkiezingsstrijd weer door één deur kunnen. Informateur Wijffels en Rouvoet drentelden een beetje op afstand om dit beeld nog scherper te laten uitkomen. De komende tijd zullen we zien in hoeverre dit een knap, door RVD-chef Van der Wulp bedacht, toneelstukje was of werkelijkheid. Hoe dan ook zal er veel, zo niet alles, van hun onderlinge relatie afhangen. Niet alleen omdat Balkenende en Bos boegbeeld van hun partij zijn, maar ook vanwege een ijzeren Haagse wet, dat de premier en de minister van financiën elkaar blindelings moeten kunnen vertrouwen. Daar zal het nog meer op aankomen nu de partijen ervoor gekozen hebben met de begroting scherp aan de wind te zeilen.

Het kabinet-Balkenende IV zal dus ook in die zin erg conjunctuurgevoelig zijn. In dat perspectief is het misschien niet zo gek als de premier en vice-premiers zich in het kabinet laten omringen door ministers die voor de nodige smeerolie kunnen zorgen. Het risico is al groot genoeg met drie Piet Heinen, die elk op enig moment in het recente verleden hebben verklaard dat de politiek leider van een partij in de Kamer thuishoort. Dat is een andere Haagse wet: waar je staat, hangt af van waar je zit.

mailIcon print |