Israëlische herstelwerkzaamheden aan een brug bij de Tempelberg hebben geleid tot onrust onder moslims. Zij zijn bang dat het werk de fundamenten van de Al-Aksamoskee zullen aantasten. Vandaag wordt gevreesd voor rellen bij de heilige plek.
Op zes juni, 1967, de tweede dag van de zesdaagse oorlog, vroeg de commandant van het centrale front de Israëlische minister van defensie Mosje Dajan toestemming om de oude stad van Jeruzalem in te nemen. „Geen sprake van”, luidde het antwoord van Dajan. „Waar hebben we dat Vaticaan voor nodig.”
Dajan zag de oude stad met zijn kerktorens en minaretten slechts als een bron van ellende. Maar hij werd overstemd door de regering en de volgende ochtend trokken de Israëlische troepen de oude stad binnen, klommen drie soldaten het dak van de Rotskoepel op en bevestigden er de Israëlische vlag. Vlak daarop arriveerde Dajan, die deze historische gebeurtenis toch niet aan zich voorbij wilde laten gaan. Iemand attendeerde hem op de vlag op de Rotskoepel, de plek waar in de islamitische overlevering Mohammed zijn hemelreis begon. „Haal de vlag weg”, beval de minister. Op datzelfde moment stond legerrabbijn Sjlomo Goren al op wacht voor de poort naar de Tempelberg, ervan overtuigd dat het Israëlische explosievencommando onderweg was om de moskeeën op te blazen en zo ruimte te scheppen voor de wederopbouw van de Tempel.
Enkele dagen later nam Dajan, inmiddels uitgegroeid tot de held van de zesdaagse oorlog, nog een besluit: het beheer over de islamitische eigendommen, het plein op de top van de heuvel met de Al-Aksamoskee en de Rotskoepel, zou worden overgelaten aan de Wakf, de islamitische raad van beheer. Joden mochten de plek wel bezoeken, maar er geen gebedsdiensten houden. Later legde Dajan het uit: voor de moslims is de Tempelberg een gebedsplaats met moskeeën, voor de Joden is het slechts een historische plek waar ooit de Tempel stond.
Niet iedereen legde zich bij dit besluit neer. Twee maanden later, op de negende van de Hebreeuwse maand Av, de dag dat de joden treuren om de verwoesting van hun Tempel, trok legerrabbijn Sjlomo Goren met een groepje mensen de Tempelberg op. Uitgerust met een ramshoorn, een ark en een klein katheder hielden ze daar een gebedsdienst. Voor de zaterdag erop had Goren grootsere plannen. Hij wilde met duizenden Joden het gebed op de berg houden. De Israëlische regering zag zich gedwongen een besluit te nemen: Joden die wilden bidden op de Tempelberg, konden dat voortaan slechts doen bij de Klaagmuur, de westelijke muur van de verwoeste Tempel.
Opnieuw klonken er protesten, maar de Israëlische regering kreeg steun uit onverwachte hoek. De opperrabbijnen verklaarden dat het verboden voor joden is de Tempelberg te betreden, omdat niet vaststond waar precies het Heiligste der Heiligen had gestaan. En die plek was alleen toegankelijk voor de hogepriester.
In feite had Mosje Dajan in 1967 gehandeld in de geest van andere zionistische leiders voor hem, met hun nogal ambivalente houding jegens de heilige plaatsen. De grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl, opperde in gesprekken met christelijke en Turkse leiders het idee dat Jeruzalem in zijn geheel een soort extraterritoriaal gebied zou worden. De hoofdstad van de nieuwe Joodse staat zou ten noorden van Jeruzalem komen. Mogelijk waren dat tactische toezeggingen om de wereldleiders te overtuigen. Want de Joodse staat was toen - eind 19de eeuw - nog pure fantasie.
Veertig jaar later zou de ’stichter van de staat’, Israëls eerste premier, David Ben Goerion instemmen met het VN-deelplan dat voorzag in een Joodse en Arabische staat, met een ’speciaal internationaal bestuur voor Jeruzalem en de heilige plaatsen’. In de daaropvolgende oorlog verwierven de Joden eenderde meer land dan was voorzien in het deelplan. In Oost-Jeruzalem wist het Jordaanse leger stand te houden, niet in de laatste plaats omdat Ben Goerion en de zijnen geen prioriteit gaven aan de verovering van de Oude Stad. Toch legde Ben Goerion vervolgens alle VN-besluiten over internationalisering naast zich neer; hij riep Jeruzalem uit tot de eeuwige hoofdstad van Israël. Daarbij bedoelde hij kennelijk het westelijke deel dat in handen van Israël was, en niet de Oude Stad en de heiligdommen waar de Jordaniërs heersten. Israëls eerste premier weigerde in te gaan op het verzoek van de rechtse oppositieleider Menachem Begin om een verklaring, waarin hij zou schrijven dat de Oude Stad en de heilige plaatsen deel van de hoofdstad vormen. „Ben je soms van plan die gebieden te veroveren”, vroeg Ben Goerion sarcastisch.
Dat zou bijna twee decennia later alsnog gebeuren. 1967 was een omwenteling. Ineens kregen woorden als ’de eeuwige onverdeelde hoofdstad van Israël’ – tot dan veelal lippendienst – een andere betekenis.
Religieuze – en niet zo religieuze – Israëliërs zagen de veroveringen van 1967 als een vingerwijzing Gods. Israël was teruggekeerd naar het bijbelse land, het verschil tussen de staat Israël (binnen de grenzen van 1967) en Eretz Jisrael (het grotere bijbelse Israël) vervaagde. De zionistische voormannen hadden vaak gerebelleerd tegen hun gelovige ouders. Maar zoals bij elke goede rebel, bleken de oude waarden een gevoelige snaar te raken.
Zelfs Dajan, zijn besluit over de vlag ten spijt, kon op de ochtend van de verovering niet nalaten uit te roepen: „We zijn teruggekeerd naar de heiligste der heilige plaatsen en zullen die nooit meer verliezen.”
De afgelopen veertig jaar is de regeling die Dajan indertijd ter plekke op de Tempelberg bedacht van kracht gebleven – min of meer –, maar de explosiviteit van de situatie is slechts toegenomen.
Met de jaren werd Jeruzalem voor veel Israëliërs steeds ondeelbaarder. Het aantal fanatici dat pleit voor het verwoesten van de moskeeën om de Tempel in ere te herstellen nam toe. Een groepje kolonisten smeedde plannen de daad bij het woord te voegen, het complot werd tijdig ontdekt.
Toch bleven de uitbarstingen niet uit, niet in de laatste plaats omdat tegelijkertijd het politieke en religieuze bewustzijn van de Palestijnen toenam. Waren in 1967 de Israëliërs de zoveelsten in de lange reeks heersers van Romeinen, Ottomanen, Britten, tot en met Jordaniërs, met de jaren groeide het verzet, dat uiteindelijk culmineerde in de intifada van 1987. De afgelopen twee decennia heeft de Palestijnse strijd een steeds religieuzer cachet gekregen. De terugkeer naar Jeruzalem, naar de Al-Aksamoskee, is het hoofdmotief, de ultieme expressie van het Palestijnse vrijheidsstreven.
De schattingen der geschiedschrijvers lopen uiteen; sommigen houden het erop dat Jeruzalem minstens 32 maal veroverd is, anderen menen dat het wel vijftig maal is. Het wantrouwen, de aanspraken op de heiligdommen, en het heilig geloof hebben alle veroveringen overleefd. De Israëlische schrijver Meir Sjalev sprak eens van een stad waar de stenen en doden belangrijker zijn dan de levenden, „waar aartsvader Abraham en de profeet Mohammed mij de hele tijd aankijken”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.