*

 

Ik bedrijf tapas-theologie; kleine hapjes geserveerd op het ’straatterras’ van deze krantenpagina.

Jean-Jacques Suurmond − 06/02/07, 00:00

Ik ben nu alweer twee jaar columnist. Leuk hoor, zo’n zeepkistje midden in de samenleving. Want dat is wat me het meest opvalt, vergeleken met mijn vakpublicaties: het grote en brede lezerspubliek. En een actief publiek ook nog. Het maakt het schrijven van deze column tot een kleine industrie.

Want wat hebt u me allemaal niet toegestuurd? Hoogleraren zonden mij hun oratie; dichters hun laatste bundel; auteurs hun nieuwe boek met het vriendelijke verzoek dat in mijn column te noemen; theologen en filosofen hun manuscript; kunstenaars een link naar hun website; een vereniging van zakenlieden hun tijdschrift; uitgevers hun prachtuitgave; een docente het project dat ze met studenten rond een column had opgezet; en verder reacties van predikanten, pastoors, een bisschop, kerkelijk werkers, psychologen, humanistische raadslieden, moslims, atheïsten en vele anderen.

Natuurlijk ontbreken de telefoontjes, mails en brieven van ’gewone gemeenteleden’ niet: van een kaart met schaamhaar tot en met die 91-jarige dame die mij in voorbeeldig schoonschrift uit begin vorige eeuw verzekerde dat ze nooit een column mist. Ik lees alles maar kan niet alles beantwoorden. Dat heb ik al snel op moeten geven.

Er is nog veel meer. Zoals interviews en uitnodigingen om gast te zijn in radio- en tv programma’s; verzoeken om een verhaal te houden op bijeenkomsten en congressen of te preken in kerkdiensten; e-maildiscussies over Kant en Kierkegaard of geloof en wetenschap. Ook dit kan ik niet allemaal bijbenen. Regelmatig komen er naar aanleiding van de columns belangstellenden bij mij in de kerkdienst en cliënten in mijn psychotherapeutische praktijk. Die denken dat ik ’wijs’ ben, maar gelukkig val ik altijd snel door de mand. Niets is zo therapeutisch als de werkelijkheid. Dat geldt ook voor mijzelf: telkens wanneer ik het fotootje boven deze column zie, krijg ik acuut een aanval van bescheidenheid.

Voor zover ik weet, werden de columns afgedrukt in kerkbladen en andere periodieken; geciteerd in preken, colleges, artikelen en proefschriften; gefileerd op gespreksavonden; bediscussieerd op internet; opgehangen op de wc van een studentenhuis en voorgelezen op een bruiloft onder de wijde sterrenhemel in Nieuw-Zeeland.

Aan andere publicaties kom ik nauwelijks meer toe. Een enkel artikel of boekbespreking, daar blijft het bij. Maar om de columns komt een kaft en ze liggen deze maand in de boekhandel. Daar was ik toch nog even verbaasd over. Zo doe ik dat dus tegenwoordig: ik bedrijf tapas-theologie, bestaande uit kleine hapjes geserveerd op het ’straatterras’ van deze krantenpagina. Laatst was ik in Madrid. De tapas daar kregen we op een groot bord, gerangschikt rondom het lege midden. Zo hoort het.

Het genre van de column ligt me wel. Een columnist zit letterlijk in de marge, aan de rand van de krant. Ergens is dat ook het verhaal van mijn leven. Ik groeide op met weinig contacten, stond er buiten. Ik herinner me dat mijn hele schoolklas me eens achtervolgde tot mijn allochtone moeder, onbegrijpelijk Frans uitslaande, ze de stuipen op het lijf joeg.

Later kwam ik in de pinksterbeweging terecht, niet echt mainstream religie. In de neem of dzjiezus werkte ik met randfiguren: ik pelde de korsten van vervuilde bejaarden en zorgde dat alcoholisten niet in de linnenkast plasten. Daarna vertrok ik voor zes jaar naar het buitenland. Terug in Nederland werd ik actief in de charismatische beweging, tussen de kerk en de pinkstergemeenten in. Zelf zat ik er ook tussen.

Toen werd ik hervormd predikant in het oosten van het land. Die vanzelfsprekende bedding van erkenning en respect waarin ik terecht kwam! Elk jaar stond ik op het bordes van het gemeentehuis, met de burgemeester en de pastoor, om een aubade van de dorpsharmonie in ontvangst te nemen. In juli kreeg ik een zoen van de kersenkoningin. Christelijk als ik ben, keerde ik haar ook de andere wang toe.

Maar vandaag, in de Randstad, kom ik als predikant toch weer in de marge terecht. De kerk wordt steeds meer naar de zijlijn van de samenleving gedrongen. Evenals soms een columnist, zou de kerk vanuit die positie de dingen wel eens helderder kunnen gaan zien.

Van nature zijn we ziende blind, zegt de Bijbel. Onze ogen zijn versluierd door onze angsten en behoeften. We snijden alles terug tot onze eigen, eindige maat. Daardoor missen we de Oneindige. De mysticus en kunstenaar William Blake schreef: ’Indien de vensters van zijn waarneming gereinigd zouden worden, zou alles aan de mens verschijnen zoals het is: Oneindig.’

Tussen de vele dingen waar mensen zich druk over maken kan de kerk, als columnist van de samenleving, scherper het éne onderscheiden dat werkelijk nodig is. Dan gebeurt er wat. Vernieuwende ontwikkelingen beginnen altijd in de marge, hield WRR-voorzitter de kerk onlangs voor.

Als je goed kijkt, is er voor haar nog een mooie toekomst weggelegd.

mailIcon print |