Leren kan steeds vaker in spectaculaire, kleurige gebouwen. Maar gedurfde nieuwbouw is niet voor elke school weggelegd, blijkt uit de tweejaarlijkse scholenbouwprijs die vandaag wordt uitgereikt.
Onder de 160 inzendingen zat volgens jurylid en architect Theo Kupers veel middelmatigheid. „We wisten al heel snel wie de acht genomineerden moesten worden. Dat geeft aan dat het niveau van de inzendingen niet heel hoog was. Als je vanuit een noodlokaal in een nieuw gebouw komt waar de stopcontacten werken, denkt men kennelijk al gauw dat er iets unieks is neergezet. Dat valt dus wel mee.”
Toch is naar school gaan wel leuker geworden. Ouderwetse gangen en grote lokalen zijn in nieuwbouw verdwenen. Kinderen leren veel meer hoe ze zelf informatie moeten vergaren in plaats van dat een docent de leerstof aan dertig leerlingen tegelijk overbrengt. Ruimtes buiten de leslokalen zijn dan ook belangrijker geworden. In nieuwe gebouwen kunnen kinderen uitzwermen naar leerpleinen en rustige computerhoekjes.
Opvallend bij alle inzendingen is ook dat functies gecombineerd worden. Volgens Ronald de Rooy, die vaker scholen ontwerpt, móeten gebouwen wel flexibeler zijn. „In Limburg is al sprake van bevolkingskrimp. Basisscholen moeten straks buitenschoolse opvang aanbieden en vaak wil een gemeente nog dat een schoolgebouw een wijkfunctie heeft. Daarom is veel nieuwbouw nu al geschikt voor sport, fysiotherapie, taalcursussen of zelfs woningen.”
De Rooy is behalve architect ook vicevoorzitter van de Stichting Architecten Research Onderwijsgebouwen. De Staro wil de komende jaren inventariseren wat schoolbesturen eigenlijk verstaan onder een goed gebouw. „Gek genoeg is zoiets nog nooit op papier gezet.”
Overigens verwacht De Rooy niet dat daar een strak lijstje uit voortkomt. „Er zijn wel energieprestatie-eisen en het aantal vierkante meters per kind is vastgelegd. Maar wat voor de ene onderwijsvorm goed is, kan voor een school met een andere insteek verkeerd uitpakken. En vmbo vraagt iets anders dan vwo.” De onderwijsvisie moet leidend zijn, vindt De Rooy.
Toch leidt ervaring met scholenbouw niet per se tot bijzondere nieuwbouw, zegt Theo Kupers. „Geen van de acht genomineerde scholen is door een typische scholenbouwer ontworpen. Wil je echt iets moois neerzetten, met een bijzondere lichtinval bijvoorbeeld, dan moet je toch harder lopen en creatiever zijn. Scholenbouwers weten vaak wat ze in de uitwerking kunnen tegenkomen. Misschien hebben ze geen zin meer in discussies over techniek en geld.”
Ronald de Rooy moet toegeven dat scholenbouwers nogal eens worden beknot. „Het bestuur of de gemeente heeft dan al eisen gesteld. Of ze zijn wel ambitieus in hun plannen, maar zadelen ons op met een niet zo ambitieus budget. Het bedrag dat gemeenten standaard beschikbaar hebben is slechts genoeg voor een standaardgebouw op een standaardplek.”
Inderdaad zijn veel genomineerden met exorbitant meer geld gerealiseerd. De Rooy vraagt zich dan ook af of de scholenbouwprijs de nadruk niet te veel op uiterlijk legt. „Uiteindelijk moet je wel les kunnen geven in die gebouwen.”
Kupers verzekert dat daar goed op is gelet. „Van de acht juryleden komt het merendeel uit het onderwijs; er waren maar twee architecten bij. Op een van de scholen, ik zeg niet welke, vertelde een leerling: het gebouw is heel leuk, maar de juf is vervelend. Wij snappen dat sfeer en leerkrachten het belangrijkst zijn.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.