*

 

’Een goed bestuur is de sleutel’

door Ruud van Heese − 09/01/07, 00:00

Guus Berkhout, hoogleraar innovatie, heeft onlangs aan informateur Wijffels een manifest gestuurd, over hoe het anders kan met het bestuur in Nederland. Hij noemt het van levensbelang voor de democratie dat het ook anders gáát.

Onder leiding van oud-Ser-voorzitter Herman Wijffels werken CDA, PvdA en ChristenUnie aan een nieuwe coalitie. Ze praten over een missie voor het nieuwe kabinet, over de vraag welk beleid de komende vier jaar moet worden gevoerd, en wat daarvan moet worden vastgelegd in een regeerakkoord.

In een later stadium komt ook de verdeling van de ministersposten aan de orde. De ene keer komt er eens een post bij (zoals in 2003 bestuurlijke vernieuwing), de andere keer valt er één af. Zo’n verandering wordt vaak verdedigd met bestuurlijke argumenten. Maar veelal is het politieke evenwicht tussen de nieuwe coalitiepartners een belangrijker motief. Zo gaat het al jaren. Gaat het deze keer allemaal anders?

Professor dr. ir. Guus Berkhout hoopt vurig van wel, al beseft de hoogleraar innovatie aan de Technische Universiteit Delft dat politieke partijen oude, hardnekkige gewoonten maar moeilijk loslaten. De hoop dat deze keer misschien toch een begin wordt gemaakt met de veranderingen waar hij al jaren voor pleit, ontleent hij aan een stuk van topambtenaren, alsmede aan de keuze voor Herman Wijffels als informateur.

In hun geschrift trekken de verzamelde secretarissen-generaal (de hoogste ambtenaren op de ministeries) de conclusie dat de huidige organisatie van de rijksoverheid niet meer voldoet. „Dat dit nu van binnenuit wordt gezegd, is echt een doorbraak”, zegt Berkhout. En met Wijffels heeft hij al eerder zijn zorgen gedeeld over de achterhaalde manier waarop Nederland wordt bestuurd. Wijffels schreef bijvoorbeeld het voorwoord in Berkhouts boek ’De innoverende overheid: waar is het wachten op?’ (2003).

In dat boek put Berkhout ook uit zijn ervaringen als voorzitter van de commissie geluidsnormering Schiphol (2000-2002). Moe van de stammenstrijd tussen Verkeer en Waterstaat aan de ene kant en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu aan de andere kant, en niet bereid om ook maar iets in te leveren van haar onafhankelijkheid, gaf zijn adviescommissie haar opdracht na twee jaar terug.

„Wij hadden geen zin om hoera te roepen voor zaken die niet klopten. Maar ik heb er veel van geleerd over hoe de overheid werkt”, aldus Berkhout.

Vanuit zijn bezorgdheid daarover heeft hij onlangs een manifest gestuurd aan informateur Wijffels, waarin hij schetst hoe het anders kan. Berkhout noemt het van levensbelang voor het behoud van de democratie dat het ook anders gáát. „Goed bestuur is de sleutel”, onderstreept hij in zijn werkkamer in de TU Delft. „Goed bestuur zorgt ervoor dat mensen vertrouwen houden in de overheid, zich betrokken voelen bij de politiek en hun rol als staatsburger serieus nemen.”

Berkhouts diagnose is dat de rijksoverheid vandaag de dag in wezen nog net zo te werk gaat als aan het begin van de vorige eeuw: er zijn departementen, met aan het hoofd een minister die verantwoordelijk is voor alles wat op zijn ministerie gebeurt.

Veel maatschappelijke vraagstukken blijken zich echter bitter weinig aan te trekken van die hardnekkige departementale verkokering. Het gevolg is vaak een stammenstrijd waarin kwesties worden opgeëist of juist worden weggeschoven en tussen wal en schip belanden. „Bestaande structuren zitten goed bestuur in de weg”, aldus Berkhout.

Als navrant voorbeeld wijst hij in zijn manifest op de bevindingen van oud-staatssecretaris Steven van Eijck ten aanzien van de jeugdzorg. „Zeven ministeries houden zich met het jeugdbeleid bezig. Meer dan 30 jeugdorganisaties bemoeiden zich met het meisje Savanna uit Alphen aan den Rijn (in september 2004 door haar moeder omgebracht, RvH). Niemand was verantwoordelijk voor het geheel. Daarom greep niemand in.”

Complete ministeries samenvoegen, zodat een klein aantal kerndepartementen met ’superministers’ ontstaat, zoals PvdA-leider Bos bijvoorbeeld heeft voorgesteld, biedt volgens Berkhout geen oplossing. „Dat is verouderd denken”, meent hij. „Ook dan houd je immers muren tussen verschillende ministeries, en die zijn dan eigenlijk alleen maar nóg hoger. Bovendien ontstaan door zo’n megafusie extra managementslagen.”

De Delftse hoogleraar ziet veel meer in een aanpak waarbij ministers niet meer verantwoordelijk zijn voor een departement (dat kan heel goed door een topambtenaar worden bestuurd) maar voor een nationaal thema, voor het aanpakken van een urgent maatschappelijk vraagstuk dat inhoudelijk dwars door verschillende ministeries heenloopt.

„Partijen zouden dan ook moeten afstappen van de gedachte dat bij de samenstelling van een kabinet per se moet worden gestreefd naar politiek evenwicht. Het zoeken naar zulke ’projectministers’ moet een veel zakelijker proces worden”, zegt Berkhout. „Mensen moeten worden gevraagd op grond van hun deskundigheid, niet op grond van hun politieke afkomst. Maar ik vrees dat de oude politieke partijen dát niet zullen kunnen opbrengen.”

De thema’s waarmee de projectministers aan de slag gaan („Een stuk of zeven”, denkt Berkhout) vormen samen de ’nationale agenda’. Bij het opstellen daarvan ziet de hoogleraar een belangrijke rol voor de burgers, die daarmee de agenderingsfunctie overnemen van de politieke partijen. „De bestaande politieke partijen hebben de samenleving niet zo veel meer te zeggen, al wil ik politieke partijen als instituut niet kwijt”, aldus Berkhout, die nog niet zo lang geleden lid was van de VVD, maar ook daar zo weinig bereidheid tot vernieuwing bespeurde dat hij eruit stapte.

„De burgers moeten nog vóór de verkiezingen aangeven welke maatschappelijke vraagstukken zij belangrijk vinden, welke kwesties de politiek in de nieuwe kabinetsperiode (al moet je meestal nog wat verder vooruitkijken dan vier jaar) zou moeten aanpakken. De media kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Vervolgens moeten de partijen in de verkiezingscampagne aangeven hoe zij de voorkeuren van de burgers wegen.”

„De ene partij zet misschien het nemen van maatregelen om West-Nederland in de toekomst te beschermen tegen de stijgende zeespiegel bovenaan. Een andere partij vindt misschien toch het oplossen van het mobiliteitsprobleem urgenter, of het tegengaan van geweld in de samenleving. Over zúlke vragen zou de verkiezingscampagne moeten gaan, en niet zoals nu zo vaak over de vraag of de ene inkomensgroep net wat meer zou moeten krijgen dan de andere inkomensgroep.”

De volgorde waarin de onderwerpen op de ’nationale agenda’ worden geplaatst, moet in de gedachtengang van Berkhout worden bepaald door de verkiezingsuitslag. Hoe meer stemmen zijn uitgebracht op partijen die het oplossen van de mobiliteit als belangrijkste kwestie hebben aangemerkt, hoe hoger dat op het werklijstje voor de informateur moet komen te staan. „Beschouw het maar als een zware aanwijzing vanuit de samenleving aan de politiek”, aldus Berkhout. Betekent dit dat de politici dan altijd braaf moeten doen wat de burgers vragen? „Helemaal niet”, aldus Berkhout. „Want bij een goed bestuur hoort tevens dat de bestuurders zo stevig in hun schoenen staan, dat ze ook eens gewoon nee durven zeggen.”

mailIcon print |