De inwoners van Mogadishu, dat al jaren in puin ligt, wachten af wie de nieuwe machthebbers zullen zijn. De oproep om wapentuig in te leveren krijgt nog weinig respons. Een reportage.
Mogadishu lijkt op bepaalde plekken nog het meest op een Romeinse ruïne. Tussen zwart geblakerde stenen kuieren geiten, terwijl hun herdertjes in de schaduw van een obelisk aan de hitte proberen te ontsnappen. Het centrum van de Somalische hoofdstad is na zestien jaar oorlog vrijwel geheel verwoest.
Het centrum is gebouwd door de Italiaanse koloniale overheerser en doet westers aan door zijn brede lanen met bomen langs de kant, en pleinen en monumenten. In de oudere wijken overheerst de Arabische architectuur. Maar al dat moois is nu afgebrokkeld en doorzeefd met kogel- en mortiergaten.
Voor Ali Said Omar (29) is oorlog de enige constante van het leven in de hoofdstad. „Somalië is net een ongeëxplodeerde bom”, zegt hij tegen een verslaggever van persbureau AP. „Er is al een machtsvacuüm. Iedereen heeft zijn wapens weer terug. Dus hoe kan de regering beweren dat zij de situatie onder controle heeft.” Vredesactivist Omar durft uit angst voor wraak de naam van zijn organisatie niet te geven.
„Niemand zal ons veiligheid brengen zoals de Unie van Islamitische Rechtbanken (UIC) deed”, reageert groenteboer Hamdi Nur Kabiye (28) op de nieuwe, onzekere situatie in de hoofdstad. „Maar als iemand orde in deze chaos brengt, zal ik ze verwelkomen, zelfs wanneer het buitenlandse troepen zijn”,
De interim-regering wil zich nu in Mogadishu vestigen. Na haar oprichting in 2004 lukte dat niet omdat ze er ongewenst was.
De regering hoopt nu dat een vredesmacht de Ethiopiërs snel zal vervangen. Maar of dat zal gebeuren, is twijfelachtig.
Vlakbij het verlaten ministerie van defensie ligt een besloten begraafplaats van de vorige vredesmissie, Unisom, die van 1993 tot 1995 vergeefs probeerde orde te scheppen.
In de straten is weinig verkeer. Met veel haast slalommen enkele minibusjes langs hopen half vergaan afval en diepe karresporen. Voor het Nationale Theater spelen wat kinderen met een bal van lompen. Enkele ouderen zitten op de trap. Niemand kan zich herinneren wanneer de laatste voorstelling heeft plaats gevonden. „Ik weet niet, mmm. Misschien in de jaren zeventig”, probeert Ephraïm Ali Mohamed, die zich in een mix van Italiaans, Swahili en Somalisch voorstelt als komiek. „Maar het was geweldig, dat weet ik nog wel. Met een orkest en dans.” Dan gaat Mohamed er snel vandoor omdat hij zich vanwege het gevaar niet op zijn gemak voelt.
Op het Traponeplein defileerden tot zijn val in 1991 de troepen van de gevreesde dictator Siad Barre. Het was het begin van de lange burgeroorlog. Nu staan er tientallen ronde hutjes, van stokken gebouwd door vluchtelingen en overdekt met lappen. Het oude postkantoor is gekraakt door ontheemden uit Jowhar, de stad die onlangs als eerste door de moslimmilities werd prijsgegeven. „Sommigen bivakkeren hier al langer dan tien jaar”, zegt Ibrahim, vader van twee.
Hij staat in de hal die veranderd is in een tentenkamp van 200 families. Temidden van tientallen nieuwsgierige kinderen vult hij aan: „Het lukt nog wel om eten te vinden. Maar er zijn geen medicijnen, er is geen school. Er is niets.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.