*

 

Atheïsme is mijn geloofshouding

Door: redactie − 03/01/07, 00:00

God is dood. Allang. Zeggen ze. Neemt niet weg dat we stiekem blijven geloven. Want we kunnen niet anders. Daarom hebben we God herdoopt tot Mysterie. Tot Geheim. Tot Iets. Alleen de persoonlijke God, die lijkt door te blijven. Aflevering 31: Jean Paul van Bendegem.

’Ook zonder een persoonlijke God kan vloeken meer zijn dan je hart luchten.’’

Wat?

„De daad van het vloeken maakt dat ik iemand verantwoordelijk stel voor wat er gebeurt. Vaak mijzelf. Het kan ook de postbestelling zijn, als de post niet goed verloopt.’’

Dan zegt u postverdomme.

„Of woorden van die strekking. Mag ik onmiddellijk overspringen op de verwante stelling: je kunt alleen iemand danken, niet iets? Ik ben een treinreiziger. Wanneer alle aansluitingen perfect verlopen, ben ik geneigd te zeggen: ’Dank u, Belgische spoorwegen’. Er staat me dan geen specifieke machinist voor ogen. Het gaat mij om de werking van het geheel, die dank ik of vervloek ik.’’

U spreekt zo’n systeem toe. U personifieert. Waarom?

„Ik vermoed dat het gesprek, of iets minder hoogdravend gezegd, dat zo’n uitwisseling makkelijker verloopt met een persoon.”

Zo’n dankzegging is toch hooguit een uiting, geen uitwisseling?

„Waarom niet? Ik beschouw bidden ook als een uitwisseling. Ik ben gereformeerd opgevoed, als kind heb ik ook altijd gebeden tot een persoonlijke God. Nu ik atheïst ben, is voor die persoonlijke God de mensheid in de plaats gekomen. Die mensheid dank ik, of vervloek ik.”

Moet die mensheid als geheel dan vervloekt worden?

„Wat die mensheid allemaal uitspookt! En wat ze zou kunnen doen. Ja, dat ontlokt me geregeld een vloek, al die gemiste kansen.

Maar de drang zo’n vloek persoonlijk te maken is gebleven, want mij richten tot de mensheid als geheel blijft een moeilijke zaak.’’

Moeilijk of onmogelijk?

„Behalve atheïst ben ik ook vrijmetselaar. Een spirituele avond wordt bij de vrijmetselarij altijd ritueel geopend. Dan zeggen we: ’ter ere’ of 'in naam van de mensheid’. Zo krijgt die mensheid iets persoonlijks, vooral ook omdat we die symboliseren door in een kring te gaan staan en een broederketen te vormen. Ook voor agnost en atheïst zijn er wegen om een tegenhanger te vinden voor het gebed. Wij ervaren het goddelijke in de mensheid.”

Waarom probeert u zoiets abstracts als de mensheid toch concreet te maken?

„Waarom, ja? Als filosoof word ik betaald om zeer abstract te kunnen denken. Maar op het einde van de dag moet ik de moeilijke vragen toch kunnen inpassen in mijn concreet, eindig leven.”

„Ik moet mijzelf soms opkrikken om mijn geloof in die fameuze mensheid te kunnen behouden. Als ik die wel eens bezig zie, denk ik: dit is een verloren zaak, ik laat de boel zijn gang gaan en probeer er zelfs nog iets moois van maken.’’

Op zulke momenten begint u te bidden?

„Nee. Dan luister ik naar een cantate van Bach. Omdat ik behalve filosoof ook wiskundige ben, zoek ik ook vaak troost bij de schoonheid van een mathematische formule.”

Kan wiskunde troost bieden?

„Van de schitterende dingen die de mensheid heeft voortgebracht, hoop ik dat ze troostrijk zijn.”

Is deze zoektocht naar troost vergelijkbaar met het gebed?

„Ja. Want het is noodzakelijk om mijn geloof in de mensheid te behouden. Zoals het gebed voor de gelovige noodzakelijk is om zijn geloof in God te behouden.’’

Uw atheïsme is een geloofshouding?

„Inderdaad.”

Is het synoniem met humanisme?

„Nee. Humanisme is respect opbrengen voor de medemens. Op fundamentalisten na, doen gelovigen dat ook. Mijn atheïstische geloofshouding betekent trouwens geenszins dat ik het bestaan van God ontken in de zin dat ik weet dat God niet bestaat. Dat ik God afwijs, is eigenlijk niet omdat ik een probleem zou hebben met God – wie of wat dat ook is. Ik wijs God af omdat ik mijzelf wil dwingen mij op mijn medemens te richten.”

Doen traditionele gelovigen dat niet?

„Bij een groot aantal religies ligt het accent ook in het hier en nu, veel gelovigen doen dat dus wel. Voor mijzelf wil en moet ik alleen dat accent verzwaren.”

Het gebed zou een vorm van gesprek zijn. Is uw zoektocht naar troost dat ook?

„Nee. Als ik door woorden getroost wil worden, zoek ik mijn medemens op. Dat kan een dialoog zijn, waarbij het weerwoord van de ander troostend is, maar het kan ook een monoloog zijn, die troostend is omdat je je eindelijk uit.’’

In het gebed worden ook vaak verwijten geuit. Bijvoorbeeld: God, waarom heeft u dit laten gebeuren? Kunt u als atheïst de verwijten over teleurstellingen in het leven ook kwijt?

„Ik kan begrijpen dat gelovigen en ook ongelovigen bij iets als een ernstige ziekte terugvallen op een persoonlijke God. Hoewel ik me moeilijk kan verplaatsen in een toekomstige situatie – mijn gezondheid is redelijk – verwacht ik dat toch niet te doen. Mijn leven heeft zich tot nu toe zo ontwikkeld dat ik heb bekomen wat ik graag had willen bekomen. Ik heb het idee dat ik al meer dan mijn aandeel heb gekregen.”

U bent pas begin vijftig.

„Ja. Toch beschouw ik dat wat er nu bijkomt als extra. Tegelijkertijd besef ik dat ik van al dit moois maar een klein gedeelte zelf heb bewerkstelligd.”

De rest is u door God geschonken.

„Zou ik gelovig zijn, dan zou ik het zo formuleren. Nu denk ik dat ik toevallig een paar keer de juiste mensen heb ontmoet, die mij, om welke reden dan ook, betrokken in hun leven. Zoals ik het nu bij anderen doe. Probeer te doen.”

„In Vlaanderen word ik af en toe uitgenodigd een lezing te houden over de vraag hoe het is atheïst te zijn. Zo’n avond eindigt steevast bij deze stelling.

Meestal nog iets sterker geformuleerd: wat belet u, als atheïst, de straat op te gaan en de medemens neer te schieten? Mijn antwoord is eenvoudig: ik herken mij in zo’n grote mate in mijn medemens, dat wanneer ik die neer zou schieten, ik een deel van mijzelf neer zou schieten.”

Voor een optimist is deze gedachtegang een beletsel, voor een destructief iemand niet.

„Als je naar zeer eenvoudige zaken kijkt, is er reden optimistisch te zijn. Een vriendin van mij wees me er onlangs op hoe goed een ochtendspits verloopt, op de baan, en in het openbaar vervoer. Met duizenden, tienduizenden, honderdduizenden zijn we onderweg. En dat gaat redelijk. Af en toe is er wat duw- en trekwerk, we willen graag als eerste binnen zijn, maar door de band genomen verloopt de spits ordentelijk. Dan denk ik: zie je wel, dit kunnen wij.’’

We kunnen ook door het lint gaan.

„Alleen in een uitzonderlijke situatie, zoals onlangs bij die moord in Brussel om een mp3-speler. Daar maken we, terecht, een enorme toestand van. ’Dit had nooit mogen gebeuren’, zeggen we. Dat sterkt mijn geloof in de mensheid. Daarom weiger ik mijn geloof in de mensheid op te geven. Ik moet ook wel. Want wat blijft er anders voor mij over?”

mailIcon print |