*

 

Hij was de gekliefde hond op zoek naar de afgesneden helft

Bert Keizer − 29/12/07, 00:00

Het opvallendste aspect van ons geestelijke interieur is dat daarbinnen één persoon heerst. Wij weten niet hoe deze geestestoestand wordt veroorzaakt. Er is nergens een neurologisch loket waar alles wordt ingeleverd zodat één ’iemand’ het overzicht houdt.

Er gebeurt van alles in ons brein waar wij geen vermoeden van hebben. Wij ervaren onszelf als breinbestuurders, maar we lijken meer op het jongetje dat op de achterbank in de auto aan een stuurtje draait dat op de rugleuning van de stoel vast zit, waarbij hij de heerlijke illusie heeft dat hij de auto bestuurt.

Onze hersenen hebben een welhaast maniakale neiging om de binnenfilm uit één keurig gevuld scherm te laten bestaan, waarbij uit niets blijkt hoe moeizaam er gesprokkeld is om al het spul bij elkaar te binden dat resulteert in de waarneming van Oom Johan die de verjaardagstaart aansnijdt.

Op de plek in ons netvlies waar geen lichtgevoelige cellen zitten, de blinde vlek, wordt niets waargenomen en daar zouden we een kleurloos gat (?) moeten ’zien’. Dit gat wordt fraai overgepleisterd in de projectiefase voor de binnenfilm en je ziet het nergens. Er wordt continu gewerkt om deze lacune te vullen, want op een witte muur verschijnt hij evenmin als op een groene of rode. Er wordt bij elke nieuwe toestand een passend lapje voor gehouden.

Dit maniakale streven naar de presentatie van één overzicht vanuit één gezichtspunt laat zich zelfs niet hinderen door ernstige hersenschade.

De mogelijkheid van een dergelijk breken van de hersenen in meerdere fragmenten is op onnavolgbare wijze verwoord door Frigyes Karinthy in ’Journey around my skull’ (de Engelse titel van zijn boek) waarin hij verslag doet van zijn belevenissen met een hersentumor. Karinthy (1887-1938) was een vooraanstaande Hongaarse schrijver, bekend onder andere om zijn satirische humor.

De beschrijving van zijn tumorbelevenissen dateert van 1936. Hij overleefde de hersenoperatie gedurende twee jaar. De operatie werd verricht in Stockholm door Herbert Olivecrona, een leerling van de vermaarde Cushing.

Kort na de operatie was Karinthy in zijn dromen druk bezig om de boel op geestelijk niveau weer enigszins op orde te krijgen. In die periode werd hij opgejaagd door deze droom:

’Ik was een grote zwarte hond, naar het scheen een kruising tussen een retriever en een Deense dog, maar slechts één kant van mij was heel. Daarom galoppeerde ik door de nacht naar Trelleborg. In Trelleborg had de trein mij doormidden gesneden, van kop tot staart, en mijn resterende helft galoppeerde met koortsachtige gretigheid langs de spoorweg, zodat ik mijn verloren helft kon terugvinden in Trellenborg voordat het te laat was, en terwijl er nog een vonkje leven in zat. Tijdens het rennen maakte ik even kille als wanhopige berekeningen. Ik wist dat de treinreis naar hier precies negeneneenhalf uur geduurd had. Een hond kon diezelfde afstand misschien in vijftien uur afleggen. Natuurlijk moest ik de omstandigheid in aanmerking nemen dat ik op slechts twee poten liep – voor en achterpoot van mijn linker kant. Dit had echter het voordeel dat ik maar de helft van het gewicht hoefde te dragen. Het was nog een zegen dat ik, met mijn ene oog aan de linker kant, het vreselijke verscheurde oppervlak aan de andere kant niet kon zien, want ik zou flauwgevallen zijn en het zou mij weerhouden om verder te rennen.’

De droom beschrijft zijn innerlijke verscheurdheid met het onthutsende beeld van een in de lengte gekliefde hond op zoek naar de afgesneden helft van zichzelf. We mogen hier wel spreken van Traumarbeit rond hersentumorverwijdering dacht ik.

Tegelijkertijd weet Karinthy de eenheid te bewaren door op te merken hoe fortuinlijk zijn linker oog geplaatst is zodat hem de aanblik van die bloederige flank bespaard blijft. Hem?

Ik heb nu iets meer dan twee maanden doorgebracht op de afdeling neurochirurgie in een academisch ziekenhuis. Nee, niet wegens hersenschade, maar omdat ik iets over hersenschade te weten wilde komen en dat wilde doorvertellen. Een dergelijk fraai geschilderd schrikbeeld van het verwerken van hersentumorchirurgie ben ik niet tegengekomen in het ziekenhuis. Chirurgen desgevraagd ook niet, al hebben die niet alle dagboeken, of verhalen achteraf, kunnen navlooien op helse visioenen.

Ik geloof niet dat Karinthy’s ervaring uniek is. Het unieke zit in zijn schrijftalent, dat maakt dat hij die rennende halfhond met een bijna onprettige precisie in al zijn bewegingen en overwegingen weet te volgen. Wat die verslaglegging van eigen geestelijke inhoud betreft: de meeste mensen kunnen het niet of nauwelijks rond het komen en gaan binnen een intact brein, laat staan dat ze het zouden kunnen of durven vanuit een deels ingestort brein. Ik ben wel geschrokken in het ziekenhuis. Allereerst door de kwetsbaarheid van ons geestesleven. Een mens moet maar hopen dat zijn brein overeind blijft. En, indien instortend, dat het gedruis zich zo veel mogelijk aan zijn waarneming onttrekt.

Mijn tweede schrik betrof de omstanders, de kring van geliefden rond de getroffenen. De instorting onttrekt zich nu juist niet aan hun waarneming. Het is soms het ergste dat ze ooit zullen waarnemen.

mailIcon print |