In Trouw van 13 januari praat Mieke van de Weij over wat theoloog Harry Kuitert haar vader heeft aangedaan:
„Zijn hele oeuvre stond bij mijn vader in de boekenkast. Die Kuitert heeft veel kwaad aangericht – ongetwijfeld uit goede bedoelingen, maar toch. Hij heeft met zijn werk zo veel twijfel gezaaid. Mijn vader heeft daar in zijn laatste jaren enorm mee geworsteld. Dat vond ik heel sneu om te zien.”
Op het eerste gezicht leest dit alsof iemand op de verzameling hamers wijst van haar overleden vader en zich afvraagt: „Is het niet vreselijk dat mijn pappie zich daarmee keer op keer op zijn eigen hoofd sloeg?”
Want het ging zo te horen niet om een incident, maar om een voortdurende pijniging. Kuiterts hele oeuvre stond er. Je zou denken: nadat hij zich één keer gebrand had aan een betoog van Kuitert, raakte hij nooit meer iets uit die hoek aan. Maar nee, hij bleef er in lezen.
Ik heb thuis ongeveer hetzelfde meegemaakt. Ik deel Van der Weijs verwijt dat bij mij gericht is op de laffe priesters die de generatie van mijn vader van hun geloof beroofden met walgelijke fratsen als de afschaffing van het Latijn, de naar het volk toe gekeerde priester, de beatmis, vrouwen op het altaar, de hostie op de handpalm neergelegd et cetera. Het enige dat met al die onzin bereikt werd was een nog sneller leegbloeden van de kerk.
Maar wacht even. Laten we dit gebeuren, de vervanging van een gekoesterde waarheid door een hele andere, eens wat afstandelijker bekijken.
De ideeën die Van der Weij senior en mijn vader zo in de kou plaatsten, waren al enkele eeuwen bekend.
Het katholicisme van mijn vader was de 19de-eeuwse versie van het middeleeuwse wereldbeeld, een versie die het onwaarschijnlijk lang volhield in de twintigste eeuw.
In de jaren vijftig bevond het Nederlands katholicisme zich in een zijsteeg van de Europese ideeëngeschiedenis, wonderbaarlijk geconserveerd, want op luttele afstand van deze wereld-volgens-Dante, raasde de twintigste eeuw voorbij over de ruime banen van intellectueel Europa.
Wittgenstein was alweer dood, Beckett had bijna zijn Nobelprijs, maar in onze parochie bleef de Drievuldigheid een ondoorgrondelijk mysterie.
Dit duurde tot de eerste elpee van The Beatles in 1963.
Hetzelfde gold, mutatis clematis, voor de gereformeerde wereld.
Nou heb ik veel respect voor Kuitert, maar het idee dat hij er op zijn eentje in geslaagd zou zijn het gereformeerde gedachtegoed in Nederland op een zo niet fatale, dan toch wel zeer verontrustende wijze te ontwrichten, lijkt mij een misverstand.
In katholieke kring is dat ondermijnende zagen en knagen al veel eerder begonnen in de figuur van de aanbeden Godfried Bomans, die in een belijdende vorm van ongeloof leek te vervallen. Of nog eerder, door de beminnelijke bisschop Bekkers, die een hele wereld van lege dogmatiek leek weg te vegen met zijn hartelijke boterzachte g.
Vergeet Bekkers, Bomans of Kuitert. Het gaat hier om geestelijke verwikkelingen die niet door één figuur kunnen worden ingezet of tegengehouden. Het is eerder zo dat de Zeitgeist een gat in het dak van de kerken maakte, waardoor vervolgens een verlossende waarheid naar binnen straalde, of een kille regen neerplensde, het is maar hoe je het beleefde.
Bomans en Kuitert stonden zo dicht bij het gat dat het leek alsof zij de daders waren, een rol die Ayaan Hirsi Ali eveneens toeviel. Want ook in het dak van de moskee zit een, nou ja, gaatje.
Het schokkende voor vader Van der Weij was niet dat bijvoorbeeld Nietzsche zei dat God dood was, maar dat deze opmerking binnen zijn kerk door iemand uit die kerk, hoe omzichtig ook, onderschreven werd. Zo was mijn vader niet geschokt door de opvatting onder ongelovigen dat de hostie niks meer is dan een stukje opeetpapier. Maar toen de priester deze opvatting min of meer bevestigde door de hostie in mijn vaders hand te plaatsen, toen ging er iets stuk.
Eén van de ongemakkelijkste passages in Günter Grass’ autobiografie is het verslag van zijn persoonlijke denazificatie. Grass geloofde aanvankelijk niet in de grootschalige moord op de Joden. Pas in 1946 hoorde hij op de radio Baldur von Schirach als oorlogsmisdadiger in Neurenberg zeggen dat binnen de Hitlerjugend alleen hij op de hoogte was van de moord op de joden. Pas toen hij deze man dit hoorde zeggen, geloofde Grass het ook: „Ihm musste ich glauben. Ihm glaubte ich immer noch.”
In de jaren dertig van de vorige eeuw was de ware omvang van de Communistische Terreur onder Lenin en Trotski, later voortgezet door Stalin, genoegzaam bekend, maar de Nederlandse communisten barstten pas in tranen uit toen Chroesjtsjov er in 1956 iets over zei. Die tranen golden overigens niet de onschuldige slachtoffers, nee, ze huilden om wat hun geloof werd aangedaan.
Wat zijn wij soms toch vervelende types. Wat ik zo teleurstellend vind is dat we nauwelijks te overreden zijn met argumenten. Het ligt er helemaal aan wie het zegt. Ad hominem is onze favoriete debatteertechniek.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.