*

 

Is de coffeeshop echt het laatste bastion van onze onvolprezen tolerantie?

Willem Breedveld − 17/03/07, 00:00

Als tevreden pijproker ben ik op voorhand verdacht. Toch waag ik het erop deze week een vraag voor te leggen over roken en wel in relatie tot onze onvolprezen tolerantie en het recht van minderheden.

Laat ik voorop stellen, ik ben voor een rookvrije, publieke ruimte in Nederland, ook in horecagelegenheden. Per slot van rekening zijn rokers in de minderheid en waarom zou een meerderheid hun dampen moeten tolereren? Bovendien is het wel zo fris. Je zou hooguit een punt kunnen maken over de aanwezigheid van rooksalons. Dat was vroeger een chique manier om het huis rookvrij te houden en de rokers toch aan hun trekken te laten komen. Een dergelijke hoffelijkheid bespeur ik nauwelijks onder het antirookfront. Rokers worden lelijk te kijk gezet in akelige bushokjes, of naar de buitenlucht verbannen, waar je ze vaak als junks in weer en wind ziet samenscholen op de guurste plekken rond een gebouw.

Het heeft allemaal de zegen van inmiddels een royale meerderheid in de Tweede Kamer. Maar juist daarom was ik stomverbaasd dat diezelfde Kamer als door een wesp gestoken reageerde op de suggestie dat minister Klink van volksgezondheid ook het roken in coffeeshops aan banden zou willen leggen. Dat mocht onder geen beding gebeuren, vonden onze volksvertegenwoordigers. Coffeeshops zijn een icoon van onze hooggeprezen tolerantie. Voor het in stand houden van hun vrijheid zijn we desnoods bereid een oorlog te riskeren met Frankrijk. Minister Klink mag daarom onder geen beding het rookverbod aangrijpen om onze coffeeshops te degraderen tot een winkeltje waar je de drugs wel mag halen, maar niet ter plekke mag roken.

Deze stellingname maakte mij in één klap duidelijk dat de tabaksroker in de hiërarchie van fatsoenlijk burgerschap een treetje lager staat dan de drugsverslaafde. De roker wordt overal verbannen. Volgens de strikte logica van het rookverbod is hij straks zelfs strafbaar als hij in een coffeeshop een pijp opsteekt. Maar voor onze junk en zijn hasj wordt de loper uitgelegd. Zoals een Kamerlid zijn standpunt onder woorden bracht: net zo goed als je in een café bier moet kunnen drinken, moet je in een coffeeshop een hasjsigaret kunnen opsteken.

Van mij mag het. Ieder het zijne, niet waar? Maar wat ik niet begrijp is dat we inmiddels in een samenleving terecht dreigen komen, waarin alleen de junk nog mag rekenen op onze tolerantie. Een verondersteld lelijk lichaam (zie de vraag van vorige week) kan niet meer door de beugel. Snoepen wordt slechts oogluikend toegestaan en vreemdelingen moeten hun tweede paspoort inleveren. Alleen de junk hoeft zich nergens druk over te maken, als icoon van onze vrijheidszin. Kortom, mijn vraag is: is de coffeeshop echt het laatste bastion van onze onvolprezen tolerantie?

mailIcon print |