*

 

Je bood hem brood en zijn ogen zeiden: ik zoek vis

Bert Keizer − 17/03/07, 00:00

’No man is an Iland intire of itselfe”, schreef John Donne in 1619. „Geen mens is een eiland, geheel op zichzelf; ieder mens is een stuk van het Continent, een deel van het Vasteland; als er een Kluit door de zee wordt weggespoeld, dan is Europa minder; evenzeer als het om een rots zou gaan of een landhuis van uw vrienden of van uzelf; de dood van elk mens vermindert mij, omdat ik betrokken ben bij de Mensheid, zend daarom nooit iemand naar buiten om te horen voor wie de Klok luidt. Hij luidt voor U.”

Niet zo lang geleden was ik bij de begrafenis van een man die Donne’s visie danig op de proef stelde. Hij was in hetzelfde jaar geboren als ik, maar in Zwitserland. Hij kwam in Amsterdam rond 1980 in de hoop hier wat rustiger (of wat luidruchtiger) in de herenliefde te kunnen leven. Dat lukte ook wel. Hij verwierf vriend en appartement en eerzaam werk in de horeca. Hij was een mooie man, het leven was niet slecht.

Maar iets akeligs was hem nageslopen vanuit zijn Zwitserse vallei. God mag weten hoe zoiets werkt, maar uit het Berner Oberland, de koeien, de kaas en de chocola had hij een monster meegenomen dat allengs grovere vormen aannam.

’Monster’ klinkt te dramatisch. Het dramatische kwam pas veel later. In die beginjaren in Amsterdam droeg hij iets met zich om dat aanvankelijk sluimerde maar zeer geleidelijk wakker werd om zijn innerlijk uiteindelijk geheel te overheersen.

Het was geen drankzucht, het was iets dat zich achter de drankzucht bevond. Een merkwaardige afwijzing van het leven. Merkwaardig, omdat de oppervlakkige omstandigheden van zijn bestaan niet slecht waren. Er werd van hem gehouden, al weet ik niet in welke mate. Hij genoot een zekere materiƫle welstand, maar er was iets dat zo aan hem vrat dat hij wilde sterven om aan die knaging te ontkomen.

Hij begon te drinken en zijn baas moest hem met oprechte spijt zeggen dat hij niet langer kon komen werken. Vervolgens raakte hij van zijn vriend af, hij maakte veel schulden, werd zelfs dakloos en belandde in de goot, waar hij niet erg paste bij het hem omringende gezelschap. Hij was niet straatwijs. Integendeel. Hij bewoog zich omzichtig met onzekere stap en zachte bruine ogen te midden van de kleurrijke menigte hopeloze eenlingen die zich aan de rand van elke welvarende gemeenschap ophouden. Hij werd nogal eens belazerd. Zijn terughoudende optreden had denk ik niet veel met angst te maken, het kwam eerder voort uit de neiging om niemand tot last te zijn.

Zijn sympathieke gelaat deed vrijwel iedereen die hem tegenkwam zeggen: ik wil wat voor je doen. En het onbegrijpelijke in hem was dat hij daar nooit op in ging. Of nee, het was eerder zo dat hij een heel andere behoefte leek te verbergen, die niets met jouw aanbod uitstaande had. Je bood hem brood en zijn ogen zeiden: bedankt, maar ik zoek vis. Het vreemde was dat hij nooit ophield de wereld die onhandige lieve lach te tonen, terwijl de wereld verkeerd terug lachte.

Je bood hem iets te lezen aan, en in zijn ogen las je een verzoek om iets heel anders, maar ik weet tot op de dag van vandaag niet wat.

Hij had hij al heel wat aanloopjes genomen voordat hij definitief de dood in sprong. Die pogingen werden wel als zodanig onderkend, maar sommigen zijn niet door pillen of praten van de dood weg te houden. Dat hij zo’n harde weg koos om zijn leven te beĆ«indigen snapte ik niet. Het leek in niets op zijn zachte aard. Wilde hij het leven een vinnige trap geven bij wijze van afscheid? Maar dat was zijn stijl niet. Wilde hij zichzelf vermoorden in plaats van zomaar weg te raken? Maar dat hoefde toch niet.

Suicidologen hebben geconstateerd dat ook in een omgeving waar genoeg zachte methodes voorhanden zijn, de harde methodes in een min of meer constant percentage van zelfdodingen gebruikt worden. In de jaren vijftig waren stadsgas en de toen nog gebruikte slaapmiddelen redelijk betrouwbare zachte methodes, maar ook toen bleef een zeker percentage zelfdoders opteren voor ophangen of springen of de trein. Deze mensen willen meer dan alleen maar weg zijn en ik zou dat begrijpen bij deze zachte Zwitser als het leven hem getreiterd had, maar voor zover ik durfde te oordelen had het leven niet uitzonderlijk wreed tegen hem gedaan.

Op de begrafenis drong de aard van mijn onbegrip langzaam tot me door. Bij Chinese schrifttekens weet je dat er ook mensen zijn die het WEL begrijpen. Maar mijn onbegrip van deze man was zonder hoop. Op weg naar het graf zei iemand: „Je had hem alleen maar kunnen redden als je hem mee naar huis had genomen en je leven aan het zijne had vastgeknoopt”.

Het antwoord was: „Maar hij IS mee naar huis genomen, iemand HEEFT zijn leven willen delen!”

mailIcon print |