Bekende en minder bekende Nederlanders kiezen hun
’Dit is een aforisme uit mijn boek ’Een onvermoede bocht’, dat zaterdag is gepresenteerd. Het is mijn motto, de zin van mijn leven.
Leven in onrust tekent me. Ook mijn vrouw en kinderen merken het, het is niet makkelijk om naast mij te leven. Continu ben ik bezig met opschrijven, fotograferen, uitwerken van ideeën. Het houdt me uit de slaap. Soms liggen er ’s morgens 20 velletjes naast mijn bed.
Ik heb filosofie gestudeerd, naast medicijnen. Aan de filosofie had ik mijn hart verpand, maar toen ik huisarts werd, zag ik niets meer in de filosofische vragen of de ethiek.
Tot 2000 was ik huisarts. Toen gebeurde er iets onwaarschijnlijks. Achter mijn rug om werd ik door een collega aangeklaagd wegens disfunctioneren. En ik heb nog nooit een klacht van een patiënt gehad! Het ging die collega puur om mijn pennevruchten.
Met tegenwind leven, dat kan ik wel. Maar dat zelfs de inspectie erin meeging... De procedure loopt nog, maar ik zal geen arts meer zijn. Ik ben ziek geworden en gestopt.
Waar het volgens mij om ging? Om mijn boeken over de gezondheidszorg, zoals ’Anatomie van het gevoel’ (1979) en andere medische dagboeken. Mijn collega vond dat ik de verkeerde beroepskeuze had gemaakt. Ik begaf me buiten de gebaande paden, schreef al achttien jaar geleden dat sommige patiënten zo agressief waren dat je er als dokter beter mee kon breken. Dat kon je toen niet zeggen.
Mijn zorgeloosheid is het kwetsbaarst gebleken. De kwestie wurgde iets vitaals in mij, het werkte verlammend. Maar de creativiteit is terug, als een stroom die je ervaart, zoals je merkt dat je ademhaalt. En het resultaat komt vanzelf.
Als beeldend kunstenaar leg ik me toe op een serie foto’s of schilderijen. Maar ik kan niet zeggen: ik maak er precies veertig. En ook als de expositie klaar is, ga ik door, de stroom gaat door. Dat geldt ook voor mijn gedichten in ’Een onvermoede bocht’, daar sleutel ik lang aan.
Naast mijn boek is er nu de expositie van mijn werk. Kijkers zeggen wel eens: het is allemaal zo uitleenlopend, waar zit de eenheid? Maar ja, ik heb nu eenmaal geen grootste gemene deler. Nee, ik mis geen ’focus’, maar ik wil me niet laten belemmeren in mijn kunst.
Ik kom uit een katholieke familie, zat bij de paters redemptoristen op het gym. Die lieten me staties tekenen. Kerkelijk ben ik niet, maar de beelden van vroeger, de grote christelijke thema’s, die neem je altijd mee.
Ik houd me nu bezig met het Laatste Avondmaal, met de middeleeuwse verbeelding ervan, met mijn eigen versie. Die wordt zwart, met Pruisisch blauw erbij.
In de abdij in Nieuwkuijk , in de kruisgang, hangen nu mijn twee series kruiswegstaties. Steeds als ik daar de geur ruik, die gang zie, dan imponeert het me. Het doet me veel meer dan dat het werkt in een museum hangt. Het is een thuiskomst.
In mijn kruiswegstaties vind je meer dan het gebruikelijke aantal staties. Waarom ik er een paar aan toevoeg? Omdat ik de factor ’angst’ mis, net als in de geneeskunst.
Over spiritualiteit spreken maakt me huiverig. Maar met de pater abt – hij wéét dat sommigen mijn kruiswegstaties godslasterlijk vinden – voel ik verwantschap. Hij heeft zijn missie, ik de mijne, daar hebben we niet veel woorden voor nodig.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.