*

 

Mooi aan even kijken bij een willekeurige voetbalwedstrijd is dat je er niks van begrijpt.

Rob Schouten − 06/02/07, 00:00

Het gekke aan voetbal is dat je toch altijd even moet kijken. Ik raas wel eens met de auto langs een sportveld waar druk op gevoetbald wordt, maar dat voelt niet goed. Het lijkt of je iets mist. Misschien omdat de voetballers je het alternatieve, niet-zittende leven tonen. Van ukkies tot bejaarden, alles loopt daar rond en laat zien dat het ook anders kan.

Met joggers, toch ook echte buitensporters, heb ik dat niet zo. Die zien er net zo individualistisch uit als ik en ik verdenk ze ervan ’s avonds in bed boeken van Wittgenstein te lezen. Tennissers ook niet, die zie je zelden zomaar langs de weg een bal slaan, maar voetballers vormen een soort leerzame veestapel. Eigenlijk zou je bij de kwantitatieve gegevens van iedere natie ook het aantal voetballers willen weten.

Voetballen is, althans in onze windstreken, ook een typische weidesport. Zanderige veldjes doen toch altijd wat armoedig aan en als het gesneeuwd heeft lijkt voetbal opeens op iets van een andere planeet, haast een soort kunstdiscipline in een verkeerd gekleurde bak. Het mooist aan even kijken bij een willekeurige voetbalwedstrijd is dat je er niks van begrijpt. Niet wie er moet winnen, niet wie de cracks zijn, niet wie de scheidsrechter is of welk elftal er eigenlijk rondloopt. Het voetbal wordt opeens wat Kant noemt een Interesseloses Wohlgefallen.

Ik stond onlangs met een vriend naar een wedstrijd van zijn zoontje te kijken. Als zoonloos vader ontbeer ik ten enen male de partijdigheid die bij zo’n positie hoort. Ik wilde wel voor het zoontje van de vriend zijn, maar het kon me eerlijk gezegd niets schelen. Toen van de tegenpartij een dikkerdje een onverwachte opmars langs de lijn begon vond ik het ook mooi en klapte. Maar dat was de bedoeling niet, werd me te verstaan gegeven. Ik was toch wel voor de zoon van mijn vriend?

Dat mocht dus niet, zomaar even kijken, te gevaarlijk, te vrijblijvend. Ik moest betrokken zijn. Vóór en dus tégen! Verschrikt zette ik mijn partijdige gezicht op en hoopte de volgende keer dat de dikke jongen zou struikelen of een afzwaaier zou produceren.

En dat het bevriende zoontje na afloop in triomf op de schouders van zijn medespelers het veld afgedragen zou worden. Maar de aardigheid was er af.

mailIcon print |