Sociaal-pedadogisch werk is de populairste opleiding in het mbo. Een baan vinden is niet echt makkelijk, maar studenten kunnen wel alle kanten op.
Het is een nogal ingewikkeld spel. Eén deelnemer moet geblinddoekt naar de overkant van de zaal lopen en daarbij de tafels en stoelen die als hindernis opgesteld staan, zien te ontwijken. Een tweede deelnemer moet de geblinddoekte de weg wijzen. Onderweg moet de geblinddoekte ballen van de grond oprapen. Het team waarvan als eerste iedereen de blinddoek om heeft gehad, wint.
Jurek krijgt het maar niet over het voetlicht. Hij is leerling aan de opleiding sociaal-pedagogisch werk en de opdracht die hij voor deze les gekregen heeft, is: bedenk een spel en laat het je klasgenoten uitvoeren. Maar die klasgenoten (één andere jongen, zo’n twintig meiden) snappen het niet. Jurek legt het nog maar eens uit.
Docent sport en spel Fred Klootwijk kijkt toe. „Als hij het gewoon voordeed in plaats van het steeds opnieuw uit te leggen, zou iedereen het meteen snappen”, zegt hij, onhoorbaar voor zijn leerlingen. „Dat kan ik wel tegen hem zeggen, maar hij leert er veel meer van als ’ie zelf ervaart hoe het werkt.”
Dus moddert Jurek nog even aan. Even later zijn al zijn klasgenoten toch fanatiek met het spel bezig. „Dit is precies wat ze straks in hun werk ook moeten doen”, vertelt docent Klootwijk later. „Maar je ziet nu al leerlingen van wie je je afvraagt: zullen die het ooit kunnen?”
Jurek en zijn klasgenoten zijn bezig met hun eerste jaar van de mbo-opleiding sociaal-pedagogisch werk aan het ROC Leiden. In heel Nederland volgen bijna 23.000 leerlingen deze opleiding op niveau 3 en nog eens ruim 21.000 op niveau 4. Daarmee is SPW verreweg de populairste mbo-opleiding in Nederland.
Wie met de opleiding SPW klaar is, kan aan het werk in onder meer de kinderopvang en de gehandicaptenzorg of als klassenassistent, activiteitenbegeleider of woonbegeleider. Doorstuderen kan ook, bijvoorbeeld aan de hbo-opleiding sociaal-pedagogische hulpverlening of aan de pabo.
Juist dat brede loopbaanperspectief trekt veel leerlingen aan, weet onderwijsmanager Ria Kleinhans van de Leidse SPW-opleiding. „Er zijn ook leerlingen die niet weten wat ze willen en dan maar SPW gaan doen”, zegt ze. „Die melden zich vaak als laatste aan, maar zijn soms ook als eerste weer weg. Want dit is geen opleiding die je zomaar even doet. Je hebt in dit vak geen instrument, geen hamer of computer. Je bent zélf het instrument. Dan moet je er dus echt stáán. En dat al op je zestiende, in je eerste stage, dat is niet niks.”
Vanaf 2008 wordt SPW opgesplitst in tweeën: een opleiding tot pedagogisch werker (waarmee je bijvoorbeeld in de kinderopvang en de jeugdzorg terechtkunt) en daarnaast een opleiding tot medewerker maatschappelijke zorg. Zo willen de ROC’s beter inspelen op de behoeften in de beroepspraktijk. „In de zorg komt nu eerst een verzorger langs bij patiënten en daarna een begeleider”, legt Kleinhans uit. „Een medewerker maatschappelijke zorg is dat die beide kan.”
De leerlingen van nu zijn blij met het brede karakter van hun opleiding. „Ik wil mensen helpen”, zegt Lara Oosterhof, over haar studiekeus. „Maar of dat nu als lerares is of als maatschappelijk werkster of als bejaardenverzorgster, dat weet ik nog niet.”
Haar klasgenoot Kim Meewezen wilde ooit naar de pabo. „Maar op de havo deed ik mijn best niet”, zegt ze, „en daarom kwam ik op de mavo terecht.” Via SPW kan ze straks alsnog naar de pabo. Of woonbegeleidster worden. Of via het hbo naar een studie psychologie. „Je kunt met SPW gewoon heel veel kanten op.”
Tessa van Elk weet wel precies wat zij wil: met gehandicapte kinderen werken. „Al van kleins af aan. Ik vind ze gewoon heel erg lief.” Inmiddels is ze als stagiair ook in aanraking gekomen met gehandicapte ouderen, maar dat is anders, zegt ze. „Dat spreekt me niet zo aan.”
Zorgen over het vinden van een baan hebben de drie niet. Niet helemaal terecht, zo blijkt uit de cijfers van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, want van de SPW’ers die een paar jaar geleden hun diploma haalden, is elf à twaalf procent na anderhalf jaar nog werkloos. Maar de eerstejaars hebben nu iets anders aan hun hoofd: ze moeten een stageplek zien te vinden, en dat is écht lastig.
De leerlingen zijn tot nu toe heel tevreden over de opleiding. Zwaar? Gaat wel, zeggen ze. Wat er leuk aan is? „Dingen dóen”, roept Graciëlla Luscher. „Zoals bij handvaardigheid en drama”. Nederlands is een rotvak, voegen de anderen eraan toe, maatschappijleer is ook vervelend en sowieso zijn de theorievakken minder leuk.
Dat is te merken. Bij het vak doelgroepen bijvoorbeeld krijgen de leerlingen een korte inleiding over gehandicaptenbeleid en daarbij ogen ze als een gemiddelde middelbare-schoolklas: een deel van hen hangt sloom achterover in de bank, het geroezemoes verstomt nooit en opdrachten worden onthaald op de klachten dat ze te zwaar zijn en te snel af moeten zijn.
De leerlingen zelf vinden de sfeer anders dan op het vmbo, waar het gros van hen vandaan komt. „We zijn hier veel serieuzer bezig”, zegt Kim. „We moeten ook zelfstandiger werken”, vult Lara aan. Volgens Tessa moeten ze zich nu ’volwassener gedragen’. Van dat laatste is bij het vak sport en spel weinig te merken: als een groep jonge honden stort de klas zich in het spel. „Ze zijn nog maar zestien, hè”, glimlacht docent Klootwijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.