Iedere woensdagochtend demonstreren ze in de hoofdstad Algiers: de dwaze moeders van Algerije. Zij willen opheldering over hun geliefden, die verdwenen in de vuile oorlog.
’Ik wil de waarheid weten over het lot van mijn zoon. Als ik doodga, zullen mijn kinderen doorgaan”, zegt de Algerijnse Chafia Bouabdellah. Zoon Aziz, een rechtenstudent van 22 jaar die voor het tijdschrift El Alam Essiasi schreef, werd op 12 april 1997 ’s avonds door mannen in burger van zijn bed gelicht en meegenomen uit zijn ouderlijk huis. Er is niets meer van hem vernomen.
In de stromende regen demonstreren de dwaze moeders van Algerije, vaak geïntimideerd door de autoriteiten. Ze laten zich niet afschrikken: sinds 1998 komen ze elke woensdag van negen tot twaalf in de hoofdstad Algiers samen. Tegenwoordig voor het gebouw van de ’nationale adviescommissie ter de bevordering en bescherming van de mensenrechten’ (CNCPPDH), die namens de regering de dossiers van de vermisten behandelt.
Auto’s razen voorbij het kruispunt. Achter de poort houden agenten in burger alles in de gaten, terwijl de vrouwen voor de hekken zich verschuilen onder hun paraplu’s. Allemaal hebben ze hun eigen verhaal over een vermiste zoon, man en soms een dochter. „We zijn allemaal slachtoffer van de geheime dienst die onze kinderen en echtgenoten tijdens de vuile oorlog hebben weggehaald”, zegt voorzitster Fatima Yous van SOS Disparus. In totaal heeft deze organisatie 8200 dossiers verzameld van mensen die door toedoen van Algerijnse autoriteiten verdwenen zijn tijdens de jaren van terreur, tussen 1992 en 2000. Yous: „Nog steeds verdwijnen er mensen. Het laatste dossier dateert van 2 juli 2002. Abdelkader Mezouar werd toen op klaarlichte dag in zijn auto ontvoerd.”
Terwijl de Algerijnse president Abdelaziz Bouteflika sinds 1999 met zijn verzoeningspolitiek een streep wil zetten onder het bloedige verleden, waarbij naar schatting 200.000 doden vielen, blijven de familieleden van vermisten vragen om de waarheid. In september schreef Bouteflika een referendum uit waarin hij het volk vroeg voor of tegen een handvest voor verzoening te stemmen. Ruim 97 procent stemde voor. Advocaat Adnane Bouchaib is niet verbaasd. „Op tv en in de kranten werd het gepresenteerd als een referendum voor de vrede. Stemde je tegen de invoering van ’het handvest voor vrede en nationale verzoening’ dan stemde je tegen de vrede”, zegt hij. Hij postte die dag voor het stemlokaal in zijn buurt en zag slechts dertig mensen stemmen. „Terwijl in mijn district meer dan 20.000 mensen staan ingeschreven. De uitslag was vervalst”, zegt hij. „En wat heeft het voor zin? Zelfs al is het handvest nu ingevoerd en hebben een paar duizend politieke gevangenen amnestie gekregen, nog steeds vallen er wekelijks doden en blijven terroristen actief.”
Voor Bouchaib is er slechts sprake van een verzoening tussen de islamisten en de machthebbers. „Tussen de partijen die elkaar uitmoordden: de gewapende islamitische groeperingen en de militaire machthebbers. Ze willen de zwarte bladzijde omslaan, maar het volk is niets gevraagd. Wij staan buiten spel.”
Zijn vader, een advocaat, verdween in december 1995 toen hij na zijn werk vanuit Algiers naar huis reed, naar de stad Medéa. Hij werd met een tiental anderen gekidnapt door terroristen die zich bij een valse wegversperring voordeden als politieagenten. „In dat jaar kwam het geweld tot een hoogtepunt. De gewapende terreurgroeperingen wisten dat ze verloren hadden en begonnen zich te wreken op onschuldige burgers in plaats van op militairen en intellectuelen. De staat bestond niet meer, dorpelingen begonnen zich te bewapenen.”
In 1996 richtte Bouchaib Somoud – onverzettelijkheid - op. In tegenstelling tot SOS Disparus komt de organisatie op voor de vermisten die zijn ontvoerd door terroristen. het gaat volgens Bouchaib om ongeveer 10.000 mensen. „Samen maakt dat 18.000 vermisten”, zegt hij.
Bouchaib is niet tegen verzoening, ook hij is moe van de jarenlange burgeroorlog en wil vrede en rust, alleen niet op deze manier. „Ik wil weten waar mijn vader is en wat er met hem is gebeurd. Degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn dood, moeten eerst hun daden toegeven en hun excuses aanbieden aan de slachtoffers. Dan kunnen wij, de slachtoffers, hen vergeven en overgaan tot amnestie”, zegt hij. Het liefst zou hij een waarheidscommissie zien, zoals in Zuid-Afrika. Maar dat lijkt ver weg. In het handvest staat dat een ieder die kritiek heeft op het handvest tot 5600 euro boete kan krijgen en vijf jaar cel.
Het handvest voor vrede en nationale verzoening is een verlengstuk van de ’concorde civile’ – civiele eensgezindheid - die president Bouteflika per decreet in januari 2000 afkondigde. Islamitische guerrillastrijders kregen amnestie en konden veilig terugkeren uit de bergen, mits ze hun wapens inleverden en zeiden geen bloed aan hun handen te hebben. „De autoriteiten waren ervan overtuigd dat iedereen zou terugkeren uit de bossen en dat de rust hersteld zou worden”, vertelt Abdennour Ali Yahia.
Deze oud-voorzitter van de onafhankelijke Algerijnse mensenrechten organisatie (LADDH) heeft veel islamitische leiders verdedigd toen zij begin jaren negentig berecht werden. Zijn organisatie heeft precies bijgehouden hoeveel mensen er volgens de kranten in de vijf jaar, tussen de afkondiging van de concorde civile en het referendum voor het handvest, ondanks het streven van president Bouteflika zijn vermoord: 8192. Ali Yahia: „Echte vrede krijg je alleen door met alle betrokken partijen te praten. Overal zijn doden gevallen, of het militairen zijn, islamitische strijders of burgers. Maar de president en het leger zien het probleem als een veiligheidsvraagstuk en niet als een politiek vraagstuk.” De machthebbers zijn niet blij met zijn analyse: hij trekt een vergelijking met de militaire junta’s in Argentinië en Chili die eind jaren zeventig stelden de wereld behoed te hebben voor ’het rode gevaar’. „De militairen hebben de republiek Algerije behoed voor het groene gevaar, de islamisten, en dus moeten alle Europese landen blij zijn”, zegt hij.
De Europese landen, zeker met alle olie- en gasbelangen, geven dan ook toe aan de eisen van de Algerijnse regering. Een voorbeeld is de toezegging van de Spaanse president Jose Luis Zapatero tijdens zijn bezoek aan Algerije afgelopen december, om meer dan 70 terreurverdachten van Algerijnse afkomst uit te leveren aan dat land. „Dat gaat in tegen het internationale recht. Hier geldt nog de doodstraf en worden mensen gemarteld”, zegt Ali Yahia verontwaardigd. Het is pas sinds kort dat hij door Algerijnse kranten wordt geciteerd. „De militairen en geheime dienst zijn niet blij met mij, omdat ik zeg dat ook de generaals voor het gerecht moeten verschijnen”, besluit hij.
De dwaze moeders staan voor de hekken van de nationale adviescommissie en praten met elkaar. „Twee jaar geleden was dat nog anders. Toen werden we nog door de politie aan onze haren meegesleurd”, zegt Chafia Bouabdellah. Dit jaar, met de invoering van het nieuwe handvest, had zij hoop dat president Bouteflika zich iets zou aantrekken van het lot van haar zoon en de andere kinderen. „Dat hij de archieven zou openen, op zoek naar de waarheid”, zegt ze. Maar er is niks veranderd. Telkens weer krijgen de moeders hetzelfde antwoord: dat hun zonen zich bij de terroristen in de bossen hebben gevoegd en overleden zijn tijdens een schermutseling tussen het leger en de terroristen.
Voorzitster Fatima Yous van SOS disparus is ervan overtuigd dat sommige zonen nog in leven zijn, opgesloten in ondergrondse kazernes. Getuigen, die anoniem willen blijven, hebben het haar en ook Amnesty International verteld. Yous: „De meeste Algerijnen weten weinig over de vermisten. En anderen zijn bang. Ze worden bedreigd als ze hun mond opendoen. Vrouwen zijn verkracht toen ze bij de politie navraag deden over hun kinderen. Maar nog steeds ontvangen we wekelijks nieuwe dossiers. Onlangs kwam een oude man naar ons bureau. Drie van zijn kinderen waren weggehaald.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.