*

 

Huilbabypoli helpt vooral de ouders

door Eveline Brandt − 15/01/07, 00:00

Het probleem dat een baby extreem veel huilt kan in een paar weken worden opgelost. Dat blijkt uit een proef in het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem.

’Moeders die hier in huilen uitbarsten. Die het niet meer zien zitten. Vaders met wallen tot op hun knieën, die soms toegeven: ’Als dit zo doorgaat, ben ik bang dat ik mijn kind wat aandoe.’ Wanneer een baby iedere dag urenlang huilt, bestaat het gevaar dat de ouders het kind door elkaar gaan schudden - of erger. Als ouders op dit spreekuur aan mij vertellen daar voor te vrezen, nemen we het kind op. Dan kunnen we de baby observeren en krijgen de ouders rust. Ga thuis bijslapen, ga samen uit eten, adviseer ik dan.”

Marion Menke, verpleegkundige op de afdeling pasgeborenen in het Arnhemse Rijnstate ziekenhuis, houdt vandaag haar ’huilbaby spreekuur’. Zij runt met andere hulpverleners – kinderarts, fysiotherapeut, maatschappelijk werk – in het Rijnstate ziekenhuis sinds bijna een jaar een speciale poli voor huilbaby’s. Een huilbaby wordt vaak omschreven met de ’drie-keer-drie-regel’: het kind huilt minstens drie uur per dag, drie dagen achtereen, gedurende drie weken. „Maar eigenlijk bepaalt de draagkracht van de ouders wanneer het huilen als abnormaal of te belastend wordt ervaren”, zegt Menke. „Dankzij de poli wordt de zorg voor deze groep ouders structureler. We zijn er nu ook eerder bij. Dat is belangrijk, want de situatie kan voor ouders én kind slopend zijn.”

Haar eerste patiënt van vandaag is nog geen drie maanden oud maar drijft haar ouders al tot wanhoop. Dat zou je niet zeggen; de kleine Sophie ligt nu in een diepe, onschuldige slaap in haar wagentje. Haar handjes tot knuistjes gevouwen, ze ademt rustig door haar buik in het roze truitje.

Ze spuugt veel: de hele dag door geeft ze melk terug, vertellen de ouders van Sophie. Hij is 33, zij 32 jaar. Ze zijn keurig, welbespraakt en werken zelf ook in de gezondheidszorg. Vooral de vader ziet bleek en moe. Ze vertellen, analyseert Menke later, een klassiek verhaal: ze tobben al maanden omdat ze eerst langs het consultatiebureau zijn geweest, dat niet veel tijd voor hen had. Toen langs de huisarts, die het ook niet wist. Daarna hebben ze allerlei soorten flesvoeding geprobeerd – wat niet hielp.

„Tussen vier uur ’s middags en acht uur ’s avonds krijst ze bijna constant”, zegt de moeder op vlakke, moedeloze toon. „Er is geen teken dat ze dan gaat spugen, we zien het meestal niet als een alarmsignaal.” Ze vertelt dat ze het kind dan niet oppakt om het huilen niet met aandacht te belonen. Ze laat haar dochter boven in bed huilen en gaat zelf naar beneden om het kabaal wat minder te horen.

En dan die nachtvoedingen Sophie moet iedere vier uur een fles, ook om twaalf en om vier uur ’s nachts. „Nou”, zegt Menke, „dat kunnen we hopelijk afbouwen als ze wat minder gaat spugen.” „Ja, hopelijk”, zegt de vader met een zucht, „want dit is niet licht.” Zijn fulltime baan valt hem zwaar; zijn vrouw heeft haar werk nog niet hervat maar voelt zich ’oververmoeid en een beetje labiel’, zoals ze half-verontschuldigend zegt.

Ook Sophietje, die maar doorslaapt, is nu oververmoeid, denkt haar moeder. „Gisteren waren we bij mijn schoonvader op visite, daar heeft ze de hele dag gehuild.” Menke, voorzichtig: „Dus dat moet u niet te vaak doen.”

De ’ouders van tegenwoordig’, zegt Menke later, willen hun sociale leven vaak voortzetten. „Ze gaan op bezoek, gaan even winkelen, daarna naar opa en oma – en de baby gaat mee. Ze geven vaak toe dat er geen vast dagritme is. Maar dat kán gewoon niet met heel jonge kinderen. Ik stel dan voor dat eerst te veranderen, en dat lost vaak al heel veel op.”

Dit valt ook de twee maatschappelijk werkers op, die in actie komen wanneer de situatie thuis te hoog oploopt. „De ouders zijn vaak wat ouder, hebben al een eigen leven en carrière opgebouwd”, zegt Mary Buiting, die benadrukt dat het probleem in allerlei soorten gezinnen, in alle sociale klassen voorkomt. „Dan kan het tegenvallen dat je niet meer even de stad in kunt vanwege je kind.” Haar collega Ine Baltjes knikt: „ Ik geef vaak een dagindeling, met daarin ook tijd en ruimte voor de ouders zelf. Ze wíllen te veel op een dag. Alsof ze zich niet realiseren dat bij het krijgen van een kind ook een gestructureerde manier van leven hoort.” Buiting: „Ik zie dat vooral de moeders vaak zeer perfectionistisch zijn. Alles moet schoon zijn in huis, ze moeten alles zelf kunnen, ze willen hun kind niet uit handen geven, zelfs nauwelijks aan de vader. Heeft die het kind eens vast, zit moeder nóg mee te kijken of alles wel goed gaat en de kleertjes goed zitten. Dat is uitputtend.”

Marion Menke leert de ouders van Sophie hoe ze haar prettig vast kunnen houden, hoe ze haar buikje kunnen masseren en hoe ze een comfortabel ’nestje’ kunnen maken in de wieg. De ouders en de verpleegkundige bespreken ook de mogelijkheden van onderzoek in de slokdarm, en van medicijnen om het maagzuur te remmen. Maar kinderarts Christel Walhof, de volgende die de ouders van Sophie ontvangt, is terughoudender. Nadat zij alles nog eens goed heeft doorgenomen – het spugen, het urenlange huilen – zegt ze tegen de ouders: „De verpleegkundige en ik gaan nu stap voor stap verder. U krijgt adviezen van ons, we bellen u de komende weken thuis op en we laten u pas los als we allemaal tevreden zijn.”

Later, op de gang, zegt Walhof: „De ouders presenteren het als een lichamelijk probleem maar ik ben daar niet van overtuigd. Sophie moet wel veel spugen maar is ook onrustig. Tussen vier en acht huilen past in het patroon van huilbaby’s: die huilen vooral ’s avonds. Het past niet in het beeld van een kind dat veel spuugt door een lichamelijke oorzaak; dan zou het de hele dag huilen.”

Veel ouders denken volgens de kinderarts: er móet iets mis zijn als mijn kind zoveel krijst. „Maar wij zien meestal geen zieke kinderen, wij zien baby’s die alert zijn, die overal bij willen zijn. Ze gaan in verzet, spannen hun hele lijfje aan en laten zich niet meer kalmeren. Soms neem ik het kind alleen maar in een bepaalde houding op schoot en wacht dan tot het rustig wordt. Dat duurt soms een kwartier, dan zitten de ouders verbaasd te kijken.”

„Je eigen kind raakt je diep”, zegt maatschappelijk werkster Baltjes. „Het is zwaar als je dan geen oplossing hebt voor al dat huilen. Wij hebben de oplossing ook niet maar we kunnen wel helpen.” Haar collega Buiting knikt: „Het kind is de aanleiding maar eigenlijk verlenen wij hulp aan de ouders. We proberen met hen een aanpak te bedenken en voor meer ontspanning te zorgen. Vaak is één gesprek, vanuit de kracht van ouders, genoeg om de vicieuze cirkel te doorbreken.”

mailIcon print |