*

 

De vergeten Poolse polders

door Ekke Overbeek − 10/01/07, 00:00

In Polen verdwijnt in hoog tempo een stuk vergeten Nederlands erfgoed: de nederzettingen van de ’Holendry’. In de loop van de eeuwen werden honderden polderdorpen door Nederlanders aangelegd.

’Kijk, ze hebben het eindelijk op de kaart gezet.’ Jerzy Szalygin wijst op de kaart ’Warschau en omstreken’ op een rood huisje vlakbij de blauwe streep, die de rivier de Weichsel (Pools: Wisla) aanduidt. De boerderij van de mennonieten staat eindelijk op de toeristische kaart, maar het huis zelf is verdwenen. „Een paar jaar geleden afgebroken”, zegt Szalygin. Hij laat een schets zien van een langgerekte boerenhoeve. „Het was een prachtig exemplaar uit 1853, maar de eigenaar brak het gewoon af.”

De eigenaar van de niet meer bestaande ’Hollandse’ boerderij heeft tevens een op volle toeren draaiend slachthuis. Op de binnenplaats hangt een penetrante stank van bloed en slachtafval. Op de overgebleven zerken van een overwoekerd kerkhof staan opschriften in het Hoogduits. „Het Nederlands, of eigenlijk het Platduits, verdween in de loop van de 18de eeuw, naarmate de kolonisten, vanuit de delta van de Weichsel stroomopwaarts Polen introkken”, zegt Szalygin. Hij heeft er zijn levenswerk van gemaakt om de honderden ’Hollandse’ dorpen en de overgebleven boerderijen in kaart te brengen.

Al in de 13de eeuw kwamen kolonisten uit de Nederlanden naar de drassige delta van de Weichsel, vanwaaruit ze verder Pruisen en Polen introkken. De Nederlandse invloed in het gebied werd nog versterkt door de intensieve handelscontacten tussen Gdansk en de Nederlanden. Aanvankelijk waren de ’Hollander’, ’Olendry’ of ’Holendry’ afstammelingen van kolonisten uit de Nederlanden, maar later werden deze termen steeds vaker gebruikt voor alle vrije boeren die in de Hollandse dorpen woonden. De Holendry kregen zompige grond in erfpacht, in moerassen en langs de rivieren. „De eerste jaren, waarin het gebied werd ontgonnen, waren ze vrijgesteld van belastingen. Daarna betaalden ze een vast bedrag, maar ze hoefden geen herendiensten te verrichten en waren vrij om te gaan en te staan waar ze wilden”, legt Szalygin uit.

Wie langs de Weichseldijk ten noorden van Warschau rijdt, waant zich in een Nederlands rivierenlandschap. De slootjes met wilgen erlangs, boerderijen op kleine terpen en strekkende heerden achter het erf lijken zo te zijn overgeplaatst uit de Lage Landen. Tot op de dag van vandaag dragen veel dorpjes aan de Weichsel de naam Olendry, vaak met een toevoeging van het dichtstbijzijnde ’Poolse’ dorp. De Olendry hadden naast economische vrijheden nog een voorrecht: ze mochten God eren naar eigen inzicht. Dit was met name aantrekkelijk voor de mennonieten, volgelingen van de Friese predikant Menno Simons. Ze vluchtten in de 16de eeuw voor de geloofsvervolgingen uit de toen nog Habsburgse Nederlanden en gingen naar Polen, dat bekendstond om zijn religieuze tolerantie.

In Kazun ligt een van de vier behouden mennonietenkerkjes in de regio van Warschau. Ooit was dit het centrum van alle mennonietenkerken in heel Rusland. Achter het houten gebouw raast de snelweg naar Gdansk. Aan de voorkant wordt de weg naar het overwoekerde kerkhof afgesneden door een afrit en een hoge dijk. Het ziet eruit als een groot uitgevallen woonhuis. En dat is het ook, sinds de laatste mennonieten in 1945 zijn verdwenen. Het houten koepelplafond van de gebedszaal is na de oorlog afgebroken en het gebouw is opgedeeld in woningen. ’Maar het staat er tenminste nog’, zegt Szalygin.

Dat kan nauwelijks gezegd worden van het kerkje in Sady, waarvan de voormalige gebedsruimte een paar jaar geleden is afgebroken. Het exemplaar in Secymin Nowy, het voormalige Secymin Holenderski, heeft geluk gehad. De plaatselijke katholieke priester heeft het gebouwtje opgeknapt en er een kerk van gemaakt. In Wymysle Nowe, een van de best bewaarde Holendry-nederzettingen in de regio Warschau, deelden lutheranen en mennonieten voor de oorlog het gebedshuis. Het gebouw staat er nog dankzij het feit dat het van steen is. Maar het plafond is ingezakt.

Een paar kilometer verderop laat Szalygin ’zijn’ grootste schat zien. Alleen het voorhuis van rond 1800 staat nog op de terp, maar het gebouw is niettemin fors van omvang. De voordeur bestaat uit een boven- en een ondergedeelte.

De bewoonster heeft een spijker door de molenwiek geslagen om de was op te hangen. „Dit hebben ze zelfs in Zulawy niet”, zegt Szalygin met een mengeling van trots en weemoed.

Zulawy is de Poolse benaming voor de polders in de delta van de Weichsel, het kerngebied van de Nederlandse polderaars in het oosten. Her en der in het landschap liggen de vervallen houten achterneven van de kop-hals-romp-boerderij. „Dit is de laatste molen in de Zulawy”, zegt Jerzy Domino. Aan een rijzig kegelvormig gebouw hangen de trieste restanten van wieken. „Vroeger waren er honderden molens in dit gebied.” Domino is conservator bij de monumentenzorg in Elblag, de grootste stad in de Poolse polder.

Op de mennonietenkerkhoven dragen de grafstenen Nederlandse namen: Klaassen, Wall, Cornelsen, Wiebe. In veel dorpen speurt de conservator naar huizen die er niet meer zijn. Een enkel exemplaar staat opgeknapt te pronken tussen eeuwenoude beuken, maar dat is de uitzondering die de regel bevestigt. „Wat wij doen is stervensbegeleiding. Iets redden kunnen we niet. We hebben niet eens geld om alles in kaart te brengen.”

Er is te veel armoe om de gebouwen te onderhouden. Volgens Domino is dat een geluk bij een ongeluk. „Als mensen geld hebben, gooien ze de boel plat en bouwen een nieuw huis. De mensen die hier nu wonen, arriveerden er in 1945 als wildvreemden. Ze hebben geen enkele band met hun huizen.” Vroeger verbood de monumentenzorg eternietplaten op het dak te leggen. „Het resultaat was dat ze hun huizen in brand staken. Nu mogen ze op hun dak leggen wat ze maar willen, als het gebouw maar blijft staan. Misschien dat hun kinderen begrijpen dat een oud huis iets waardevols is.”

Informatie over de ’Holendry’ is te vinden op www.holland.org.pl

mailIcon print |