*

 

’We moeten compromis beter gaan uitleggen’

Cyntha van Gorp en Ruud van Heese − 10/12/07, 00:00

De kiezers zijn in 2006 massaler dan ooit naar de flanken getrokken: ter linkerzijde 25 zetels voor de SP, aan de andere kant 8 zetels voor Wilders. Hoe ondergaan de ’oude drie’ de ontwikkelingen? Trouw vroeg het de voorzitters van CDA, PvdA en VVD.

De spectaculaire entree van Wilders’ PVV en de groei van de SP: misschien gaat de trek uit het midden nog veel verder. Peilingen wijzen op meer steun voor Wilders en inmiddels heeft ook Rita Verdonk zich gemeld.

„Er is niet zo veel nieuws onder de zon”, zegt VVD-voorzitter Jan van Zanen nuchter. „Je moet uit de situatie waarin de drie grote middenpartijen zitten, niet al te snel conclusies trekken voor de toekomst. Er zal altijd aanhang zijn voor de christen-democraten, de sociaal-democraten en, tot dusverre als kleinste stroming, de liberalen. De dip waarin wij zitten is conjunctureel. Van de afgelopen 30 jaar hebben wij er 24 in de regering gezeten. Dat heeft veel gevergd. Nu even niet regeren is dan ook niet erg. Maar ik vind het wél erg dat we niet hebben gescoord. Het CDA heeft ons de loef afgestoken.”

„Met het CDA gaat het nog goed”, constateert voorzitter Peter van Heeswijk. „Zou na PvdA en VVD het CDA aan de beurt zijn om te worden leeggegeten? Dat geloof ik niet. Het CDA voelt zich plezierig in het midden. Wij beseffen dat politiek niet alles is, niet alles bepaalt. Ook maatschappelijke verbanden zijn belangrijk. Veel mensen herkennen dat. Van de jongeren heeft een derde bij de laatste verkiezingen op het CDA gestemd. Dat is meer dan op PvdA en SP samen. Maar waar we vroeger zeker waren van een kernelectoraat, moeten wij het tegenwoordig steeds opnieuw verdienen.”

Dat laatste is ook één van de grootste zorgen van PvdA-voorzitter Lilianne Ploumen. Maar ze begint met een relativering. „De SP is wel wat naar het midden opgeschoven. Dat verklaart voor een deel haar succes. Maar het zou onnozel zijn om te ontkennen dat de drie oude middenpartijen er niet goed voor staan”, zegt ze. „Het gaat bij mij echter niet over tegenvallende peilingen op zich. Mijn echte zorg is dat we er niet in slagen om kiezers vast te houden. Die snelle omslag in de kiezersgunst, dat is een probleem. Maar ja, wat ook meespeelt: vier kabinetten in vijf jaar. Als een bedrijf vier bazen in vijf jaar krijgt, denk je ook niet: wat gaat het daar lekker. Ik denk dan ook dat we vooral vertrouwen moeten terugwinnen bij de burger.”

Dat is een kwestie van lange adem, beseft ook Van Zanen. „Wat ons antwoord moet zijn? Volhouden. Je moet bereid zijn te veranderen, je methodieken aan te passen, de wijken in te gaan, je kwetsbaar op te stellen. Dat is het duurzame antwoord op de oprukkende flanken. En: je moet voor ogen houden dat het altijd door óns komt. Als het slecht gaat, doen wíj het verkeerd, niet de kiezers.” Voor Van Heeswijk zit de remedie in het tonen van resultaten. „Tevreden mensen zitten meer bij het CDA dan bij de PVV. We moeten laten zien dat politiek ertoe doet, en dat het CDA het verschil maakt.”

Een steeds terugkerend verwijt dat de oude middenpartijen wordt gemaakt, is dat van de beloften in hun verkiezingsprogramma’s na het vormen van een coalitie slechts waterige compromissen overblijven, waarvan nauwelijks is na te gaan hoe ze tot stand zijn gekomen.

„Daar maak ik me nog de meeste zorgen over”, zegt Ploumen. „Hoe bewerkstelligen we een herwaardering van het compromis? We moeten het ontdoen van het zouteloze karakter. We hebben het hier wel over het hart van de democratie. Maar leggen we wel altijd goed uit hoe het tot stand komt? Kijk, op het punt van het ontslagrecht hebben wij van meet af aan een duidelijk verhaal gehouden. Maar over het Europees referendum (waar de PvdA-fractie uiteindelijk tegen was, red) stond er iets onduidelijks in het verkiezingsprogramma. Heel veel mensen hebben er iets in gelezen dat niet zo was bedoeld. Als je het al nauwelijks aan je leden kunt uitleggen, dan lukt je dat ook niet bij de kiezers.”

„Ik ben benieuwd hoe Wilders dat gaat doen als hij zelf in een coalitie zit”, zegt Van Heeswijk. „Tenzij hij erop uit is het alleen voor het zeggen te krijgen in Nederland. Maar daar ga ik niet van uit. Ik zou ook niet willen dat wij het alleen voor het zeggen hadden in dit land. Compromissen sluiten is goed, al moet je natuurlijk wel eerst voor je eigen standpunt opkomen. Het CDA heeft natuurlijk heel goede ideeën. Maar andere partijen hebben die ook. Het sluiten van compromissen maakt de politiek juist beter. Je moet wel duidelijk maken aan je leden en kiezers, waarom je een compromis hebt gesloten. Maar dat doen wij constant. En juist daarvoor heb je ook een partij nodig. Een beweging, zoals van Wilders en Verdonk, volstaat niet.”

„In essentie: what’s new? Wij zijn nu eenmaal een coalitieland, en coalitiemensen”, zegt ook Van Zanen. „Compromissen hebben altíjd in de verdachtenbank gestaan. Het is niet altijd goed gelukt om compromissen aan de kiezers uit te leggen. Maar het sluiten ervan is heel eerbaar. Ik heb altijd tegen mijn kiezers gezegd: wij zijn X en we hebben Y nodig om een meerderheid te vormen. Dus hebben wij afgesproken dat we het over die en die dingen eens zijn geworden. Als je dat vertelt hebben de kiezers daar heus wel begrip voor.”

„Stel ik beloof u een wit kopje en dan geef ik u een rood kopje. Dan moet je niet zeggen dat het rode kopje een wit vlekje heeft. Nee, dan moet je zeggen: sorry, het is niet gelukt met het witte kopje. Maar u wilde ook een blauwe stoel en die heeft u wél gekregen. Als u toch ook dat witte kopje wil, dan moet u mij de volgende keer meer zetels geven. Ik geloof helemaal niet dat kiezers denken dat wij hen gouden bergen beloven. De kiezer wil dat afgesproken beleid wordt uitgevoerd, hij wil resultaten zien.”

Het mag duidelijk zijn: de partijvoorzitters leggen het hoofd niet in de schoot. „Ons ledenaantal is stabiel en er is nog steeds aanwas van jonge mensen, het zijn heus niet alleen vijftig-plussers”, zegt Ploumen. Ook de ’vele initiatieven op lokaal niveau’ stemmen haar optimistisch, al zit ze niet te wachten op een overkill. „Je moet mensen een soort menu voorleggen. Mensen willen graag komen debatteren, maar dan moeten ze er van op aan kunnen dat hun standpunt wordt meegewogen. Aan de andere kant moet je mensen niet meer invloed voorspiegelen dan ze werkelijk hebben. Daar moet je duidelijk over zijn.”

Niet alleen zéggen dat je luistert, maar luisteren en er daadwerkelijk iets mee doen, is het sociaal-democratische credo. Wat dat betreft herinnert de kersverse voorzitter zich nog al te goed waar de problemen in 2002 zaten, toen Pim Fortuyn blootlegde dat veel mensen zich niet meer vertegenwoordigd voelden door de oude politiek. Ook Van Zanen beseft dat de tijd om ontspannen achterover te hangen nog lang niet is aangebroken, al is zijn VVD nog zoekende. „We moeten nieuwe methoden vinden om onze boodschap uit te dragen en om de kiezers erbij te betrekken. Daarbij worden we door schade en schande wijs. Met onze eerste lijsttrekkersverkiezing, vorig jaar, gaven we de leden echt invloed. Maar we zijn er wel kwetsbaar door geworden.”

De CDA-formule bouwt op de kracht van de afdelingen. De christen-democraten hebben in alle 443 gemeenten van het land een afdeling. „Ik houd mijn leden altijd voor: ga de straat op en de wijken in. Meer straat en minder staat.” Maar, realiseert Van Heeswijk zich: „Mensen die niet in het politieke systeem geloven, zijn moeilijk te bereiken. Daarom moeten we hen proberen te overtuigen door resultaten te laten zien. Geen stoere uitspraken doen, maar stoere dingen doen. Het verminderen van files bijvoorbeeld.”

Van Heeswijk stipte het eerder al aan: je hebt politieke partijen met leden nodig. Bewegingen, waarvan Wilders en Verdonk de exponenten zijn, volstaan niet. „Wat doen zij met kritiek? Wie doet het lokale werk bij de politieke beweging van Rita Verdonk? Ik zou het niet weten”, aldus de CDA-voorzitter.

Ze dragen, zeggen ook PvdA en VVD, niet bij aan het geloof in de politiek. „Het organiseren van je eigen tegenspraak is essentieel”, stelt Ploumen. En Van Zanen wijst met nadruk op de collectieve meningsvorming in een vereniging. Dat het allemaal wat kwetsbaarder is, neemt hij voor lief: „Je kunt niet zonder leden. Die heb je nodig voor het ontwikkelen van ideeën, voor het voeren van campagne.”

De opkomst van politieke bewegingen en de groeiende aanhang op de flanken waren voor de scheidend PvdA-politicus Ed. van Thijn onlangs aanleiding om nog eens zijn vrees te uiten voor een Nederlandse variant op de Weimarrepubliek. „Er zijn historische voorbeelden te noemen van democratieën die zichzelf opblazen, zoals de Duitse Weimar-republiek. Daar stemden de kiezers op vleugelpartijen waardoor er geen coalities meer te vormen waren”, aldus Van Thijn.

Die angst delen de drie partijvoorzitters niet, zo blijkt. Zijn partijgenote Ploumen: „Ik heb vertrouwen in politici en in kiezers. Zij denken na, ze weten dat je coalities nodig hebt om te kunnen regeren. Bovendien is er niet zo heel veel veranderd: in 1994 waren er twaalf politieke partijen in de Kamer, nu elf.”

Van Heeswijk sluit zich daarbij aan: „Dit is echt paniekvoetbal. Het interbellum in Duitsland is niet te vergelijken met het welvarende Nederland van nu. Toen ging het om een land dat na de Eerste Wereldoorlog volstrekt in verval was.” Ook Van Zanen vindt het vergezocht: „Nederland onregeerbaar? Nee hoor, dat is snel over. Dan krijg je gewoon weer een politieke hergroepering.”

Hij wil de vergelijking met de Weimarrepubliek evenmin maken. „Allereerst is er de connotatie met het vervolg van de Weimarrepubliek. Verder had de Weimarrepubliek destijds natuurlijk nog niet zo’n democratische traditie. Duitsland bestond nog niet zo lang, zat in een economische crisis en leed onder de herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog. Ja, het spijt me zeer, maar zo doe je onrecht aan het leed van toen. Ik vraag me af of dat overdrijven werkt.”

Van Thijns voorstel om het Nederlandse democratische systeem te veranderen, doen de voorzitters van de hand. „Ik zie geen grote kansen in directe democratie. Het probleem zit niet in de structuren. De manier waarop je opereert in het huidige systeem, biedt al kansen om mensen erbij te betrekken”, denkt Van Heeswijk. „Maar dat doe je niet door het organiseren van een referendum waarbij je kunt kiezen tussen twee smaken vanille.”

Van Zanen sluit zich daarbij aan: „Het is een kwestie van cultuur, niet van structuur. De kiesdrempel verhogen? Is de aanwezigheid van kleine partijen in de Tweede Kamer nu werkelijk het probleem? Is de SGP een probleem? Is het een probleem dat de RKPN in de Tweede Kamer heeft gezeten? Hou nou toch op! Nog daargelaten dat verhoging van de kiesdrempel geen oplossing is voor de opkomst van de SP ter linkerzijde en de PVV ter rechterzijde. Maar los daarvan: als we nou 20 partijtjes van één zetel in de Kamer hadden. Nu is het nog te overzien.”

mailIcon print |