*

 

Luthers woorden kunnen een pogrom veroorzaken, maar loopt er echt een rechte lijn naar Auschwitz?

Jan Greven − 16/01/07, 00:00

Een paar jaar geleden bekritiseerde ik hier René Süss vanwege de rechtstreekse verbinding die hij legde tussen de anti-Joodse christelijke traditie en het antisemitisme van de Nazi’s.

Süss, lang hervormd predikant, maar teruggekeerd naar zijn Joodse wortels, liet me weten voet bij stuk te houden. Ik zou nog nader van hem horen. Hij hield woord met een proefschrift over Luthers strijdschrift ’Over de Joden en hun leugens’.

Trouw besteedde daar al aandacht aan; de protestantse faculteit in Brussel zat in haar maag met Süss’ promotie. Ik zeg om twee redenen nog wat over de dissertatie zeggen. De eerste is nieuwsgierigheid: heeft Süss zijn gelijk gehaald en loopt er, kort door de bocht, een rechte lijn van Luther naar Auschwitz?

De tweede is dat ik tegelijk met Süss’ proefschrift het boek onder ogen kreeg van de Arnhemse predikant Wessel ten Boom over de preek van Augustinus tegen de Joden.

Het strijdschrift van Luther (†1546) verscheen in 1543. Augustinus († 430) preekte ergens tussen 425 en 430 tegen de joden. Nooit geweten. De twee grootste kerkvaders van het protestantisme halen vlak voor hun dood nog eens snoeihard uit naar de joden. Toeval?

De joden, zegt Augustinus in zijn preek, verwerpen Christus en zeggen tegelijk: ‘Wij zijn het’ Hij herhaalt dat ‘Wij zijn het...’ een paar keer. Honend. ‘Jood’ staat voor iedereen die Gods genade verwerpt en ‘judaïseert’, dat wil zeggen hoogmoedig vast houdt aan de eigen identiteit. De jood is de ongelovige bij uitstek.

Het is alsof Augustinus, verdrietig en gekwetst, aan het eind van zijn leven erkent dat ook hij niet in staat is geweest de joden tot Christus te brengen. Hij ziet er de macht in van het kwaad. Maar, onderstreept Ten Boom, dat kwaad zit ook in de gelovigen zelf, in hun aanvechting en zelfhandhaving. Zo zet Augustinus de gelovigen naast de joden.

Het lijkt er alles op dat ook Luther aan het eind van zijn leven de balans heeft opgemaakt en daarbij, net als Augustinus, gestoten is op de onbekeerlijke joden. Ze willen niet! Ze verwerpen het Woord van God, waar hij zijn leven aan gewijd heeft. Je voelt zijn woede en frustratie. Luther is middeleeuwer. Met een sterk en plastisch geloof in de Duivel. De onbekeerlijkheid van de joden ziet hij als duivelswerk. In zijn strijdschrift is geen sprake van een parallel tussen gelovigen en joden in het verzet tegen Gods genade.

Ook komt Luthers afkeer van de Joden niet alleen uit theologische motieven voort, zoals bij Augustinus. Hij moet de Joden ook niet omdat het woekeraars zijn. Ze zijn lui en verdienen hun geld ten koste van anderen. Zijn aanbevelingen de Joden ‘aan te pakken’ hebben dan ook niks meer met prediking en oproep tot bekering te maken. Ze kunnen zo als opmaat voor een pogrom dienen. Natuurlijk, het gaat Luther om haat jegens de Duivel die zich verzet tegen Gods genade in Christus. Maar toch. Je zult als Jood, geenszins bereid eigen geloof en traditie op te geven, zo maar als aanhanger van de Duivel weggezet worden.

Er loopt zeker een lijn van Luther naar Hitler. Zij het, daar blijf ik bij, geen rechtstreekse. Maar ik ben het eens met de Lutherse theoloog Iwand (geciteerd door Süss) die het Duitse nationaal-socialisme een creatie van het ‘protestantisme’ noemde. ‘Geestelijk’, zei hij, ‘komt het uit deze wortel voort’.

Hoe komen we van dat verleden af? Süss eist niet minder dan een christelijke reiniging van al het anti-joodse. Om te beginnen uit het Nieuwe Testament.

Ik kies voor een andere optie. Gelovigen – christen, jood, moslim, maakt niet uit – zouden hun absolute zekerheid over goed en kwaad moeten verlaten. Per slot zag Augustinus het kwaad ook in de gelovigen en nam Luther de werking van de Duivel ook in zichzelf waar.

Maar zie behalve het kwaad in de gelovigen dan ook het goede in de ongelovigen, de ketters, de papen of de joden, om nog even in de termen van Augustinus en Luther te blijven. Betrek genade niet op eeuwige zaligheid. Want bij eeuwig zaligen horen onvermijdelijk eeuwig onzaligen. Maar betrek genade op het vermogen te leven met liefde en wijsheid en wacht maar af of het met die zaligheid iets wordt.

Zeg ook nooit ‘Wij zijn het’ Niet als christen, niet als jood, niet als moslim. En begrijp. Begrijp ook Augustinus en Luther in hun liefde, hartstocht en eenzijdigheid. Met tranen in de ogen. Maar verdoezel niet.

mailIcon print |