*

 

Op naar het leven van de vrijbuiter

door Nienke Ledegang − 20/01/07, 00:00

Topmusicus kan slechts een enkeling worden. Maar als studenten van het conservatorium openstaan voor andere dingen – lesgeven, op feestjes schnabbelen – dan kunnen ze later toch wel rondkomen.

Het Koninklijk Conservatorium in Den Haag knalt uit zijn voegen, dus is elk gaatje benut om instrumenten op te bergen, bladmuziek onder te brengen of te gebruiken als oefenruimte. Studenten van alle leeftijden en nationaliteiten dwarrelen door de gangen – de ongedwongenheid op het conservatorium lijkt groot. En dat terwijl deze studenten iedere dag weer het uiterste van zichzelf vergen, op piano, klarinet of met hun stem.

Het contrast met de grote, boze buitenwereld moet groot zijn. Daar is immers niet zozeer creativiteit, alswel zakelijkheid leidraad. „Dat kost ze inderdaad moeite”, geeft directeur Wim Vos van het conservatorium toe. „Onze studenten zijn niet zo zakelijk, soms zijn ze te eenzijdig met hun instrument bezig. Wij proberen ze daar wel een beetje in te sturen.”

Dat moet ook wel, want de aanstaande muzikant heeft weinig perspectief op een vaste betrekking. Daarom krijgen studenten al in het eerste jaar het vak ’intro’ waarin verschillende kanten van de beroepspraktijk belicht worden. Voor derde- en vierdejaars zijn er praktijkdagen. Ze ondervragen dan vertegenwoordigers uit de beroepspraktijk en leren over het zelfstandig ondernemerschap.

Vos legt uit: „Een groot deel van onze studenten zal een gemengde beroepspraktijk beginnen. Lesgeven, gastmuzikant zijn, beetje schnabbelen op feesten en partijen. Slechts een enkeling krijgt een vaste baan op één plek. Maar het vrijbuitersleven past ook wel bij het type studenten dat hier rondloopt.”

Daarmee wil hij niet zeggen dat de arbeidsmarkt voor muzikanten niet beroerd is. „De concurrentie uit het buitenland is groot. De vacatures bij Nederlandse orkesten staan open voor muzikanten uit de hele EU. Voor een vacature voor tweede klarinettist in een orkest komen misschien wel 40 tot 50 sollicitanten opdraven, van wie een groot aantal van een bijzonder hoog niveau. Anderzijds kunnen onze studenten natuurlijk ook vrij gemakkelijk de grens oversteken.”

„We kijken”, zegt Vos, „steeds meer naar de student als individu. Iedere student heeft zijn kwaliteiten, die proberen we optimaal te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door te zeggen: goh, jij zou de improvisatiekant op moeten, of: investeer in je pedagogische kwaliteiten.”

Ryanne Hofman (23), vierde jaar van haar studie klarinet, ziet het niet al te rooskleurig in. „Er zijn zo weinig vacatures, zeker voor blazers is het lastig. Toch heb ik geen seconde spijt dat ik deze opleiding ben gaan doen. Ik vind dat je moet gaan voor wat je leuk vindt. Als ik over een aantal jaren nog steeds mijn brood niet kan verdienen met de muziek, dan kan ik altijd nog een andere studie gaan doen.”

Ouders kunnen nog weleens met argusogen toekijken als hun kind voor het onzekere bestaan van muzikant kiest, maar in het geval van Ryanne was het haar moeder die haar op het idee bracht om naar het conservatorium te gaan.

Ryanne: „Mijn moeder zei: ’waarom zou je daar niet voor kiezen?’ Ik had daar nog nooit over nagedacht, maar ik ben hier erg op mijn plek. Nu al geef ik als bijbaantje klarinetles. Ja, dat is natuurlijk veel leuker dan in de supermarkt werken. Bovendien doe ik wat ervaring op.”

Haar klarinetdocent, Ab Vos (broer van de directeur), zegt over de beroepsperspectieven van zijn studenten: „Je kunt bij het toelatingsexamen niet voorspellen of iemand een baan gaat krijgen of niet. Dat is het lastige van dit vak. Soms krijg je een heel talentvol iemand toch niet waar je hem wilt hebben. Maar iemand kan zich ook heel onverwacht tot een topmusicus ontwikkelen. Sommige studenten zijn simpelweg nog erg jong als ze hier komen.”

Zijn collega, zangdocente Gerda van Zelm, valt hem bij. „Ze komen hier jong en met een ideaal. Ik probeer ze van die roze wolk af te krijgen. Het is niet realistisch om een klas te hebben waarin iedereen zegt: ik wil later operazangeres worden. Je mag die droom wel hebben, maar houd er rekening mee dat je iets anders wordt, zangpedagoge bijvoorbeeld, en zorg dat je dat óók leuk vindt. Ik stimuleer studenten om veel aan kleine producties mee te werken. Als studenten maar weten wat ze te bieden hebben en niet wars zijn van een ’gemengde beroepspraktijk’, dan is mijn indruk dat het wel meevalt met de beroepsperspectieven van een musicus.”

Tweedejaars vioolstudente Marianne Hutchinson (20) heeft zich die houding alvast eigen gemaakt. „Ik ben me ervan bewust dat het misschien lastig wordt een baan te vinden. Maar ik maak me daar nog niet zoveel zorgen over. Ik ben best flexibel, ik vind erg veel dingen leuk. En of ik nu ga lesgeven of in een orkest terechtkom: uiteindelijk zal ik mijn brood wel verdienen in de muziek.”

mailIcon print |