Het vak mondhygiënist zit in de lift. Er is meer aandacht voor gebitsverzorging. De mondzorgkundige mag tegenwoordig steeds meer, zelfs boren.
’Wie een fantoomhoofd nodig heeft, kan zich melden bij de balie,’ meldt het briefje op het prikbord. Een onwetende bezoeker zou bij deze mededeling onmiddellijk zijn wenkbrauwen fronsen.
Voor de studenten mondzorgkunde van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen, die hier huizen, is het echter de normaalste zaak van de wereld: in het eerste jaar oefen je nog op een ’fantoomhoofd’, een nephoofd waar je een gebit in kunt zetten. Vanaf het einde van het eerste jaar worden de practica uitgevoerd met echte patiënten. Dus is het deze middag een enorme bedrijvigheid in het practicumlokaal vol stoelen met slangetjes en instrumenten. Het karakteristieke bromgeluid klinkt als de tandarts in het kwadraat. Voor de meesten die hier komen is dat geen probleem. „Ik heb het altijd erg leuk gevonden om naar de tandarts te gaan.”
Mondverzorging kwam begin jaren zeventig vanuit Amerika overwaaien naar Nederland. Hoewel het steeds gewoner wordt om naar de mondhygiënist te gaan en er sinds een jaar zelfs geen verwijzing meer voor nodig is, is het nog lang niet zo vanzelfsprekend als een tandartsbezoek. „Toch zie je een omslag: werd vroeger alles wat in je mond niet deugde er zonder meer uitgetrokken, nu is er veel meer aandacht voor de preventieve kant van gebitsverzorging. Daar varen patiënten én mondhygiënisten wel bij. Mondhygiënisten hoeven in het algemeen niet te wachten op een baan”, vertelt Vanessa Hollaar, docente aan de opleiding mondzorgkunde.
Ze noemt nog meer redenen: „Mensen worden steeds ouder en behouden langer hun tanden. Daar hoort ook een andere verzorging bij. Er is meer geld beschikbaar voor het onderhouden van het gebit en mensen gaan het steeds belangrijker vinden hoe hun gebit eruitziet. Ook verschuift de verhouding tussen tandarts en mondhygiënist: steeds vaker mogen en kunnen mondhygiënisten bepaalde ingrepen doen die voorheen waren voorbehouden aan de tandarts. Op de opleidingen mondzorgkunde mogen studenten sinds enkele jaren zelf de boor ter hand nemen.”
Laura Verbeek is 19 en is ’van jongs af aan geïnteresseerd in de tandarts’. „Ik vond het altijd leuk om naar de tandarts te gaan. Omdat ik iets met gezondheidszorg wilde gaan doen, ben ik automatisch bij deze studie terechtgekomen.” De beroepsperspectieven speelden geen doorslaggevende rol. „Ik had deze studie ook gekozen als het minder gemakkelijk was geweest om een baan te vinden. Maar het is natuurlijk wel prettig. Vriendinnen die pedagogiek doen maken zich nu al zorgen over waar ze straks aan de slag kunnen. Dat probleem heb ik niet. Al bij de open dag benadrukte de school dat je zo gemakkelijk een baan vindt. Om die reden begin je in het eerste jaar al met practica.”
Dat beaamt docente Inge van Asselt. „Je voelt als student bij wijze van spreken de hete adem in je nek: je hébt straks die baan, dus dan moet je wel weten waar je mee bezig bent. Meteen aan de slag dus! Ik zie dat dat heel motiverend werkt. Overigens heb ik nog nooit van een student gehoord dat het beroepsperspectief de belangrijkste overweging was om aan de opleiding te beginnen. Als je alleen daarvoor komt, loop je hier stuk, want mondhygiënist is best een zwaar beroep. Het is een verkeerde reden om een vak te kiezen, je moet een vak op inhoud kiezen niet op beroepsperspectief. Dan moet je het vak wel leuk vinden.”
Dat heeft ook Maarten Versteegen (18) ondervonden. „Ik denk dat ik, als ik straks ben afgestudeerd, ook nog wel iets anders naast mijn werk als mondhygiënist wil doen, want alleen dit lijkt me erg zwaar.” Voor Maarten waren de beroepsperspectieven ’eigenlijk wel’ belangrijk bij het kiezen van zijn studie. „Ik wilde fysiotherapie gaan doen, maar daar werd ik voor uitgeloot en bovendien is er al een overschot aan fysiotherapeuten. Hier was nog plaats en de beroepsperspectieven bleken goed. Je kunt dus zeggen dat dat wel een rol heeft gespeeld bij mijn uiteindelijke keuze voor de opleiding mondzorgkunde.”
Maarten zit in een witte doktersjas in het practicumlokaal naast klasgenoot Claire Schreurs (18). Samen slijpen ze het instrumentarium. Ondertussen vertelt Claire: „Mijn tandarts riep altijd tegen mij: jij moet bij mij in de praktijk komen werken. Blijkbaar zag zij dat ik wel interesse had in hoe het er in een tandartsenpraktijk aan toe gaat. Dat heeft ze goed gezien, ik zit hier nu met heel veel plezier. Mijn eigen tandarts wil me nog steeds hebben. Maar zij is niet de enige. Ik heb al acht aanbiedingen gehad. En ik zit pas in het tweede jaar. Het wordt straks dus kiezen wat ik ga doen. Ik denk dat ik in een aantal verschillende praktijken ga werken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.