*

 

Belgrado, de stad waar alles mogelijk is

door Iris Ludeker in Belgrado − 18/01/07, 00:00

Toeristen weten Servië langzaamaan weer te vinden. Veel jongeren, vooral uit omringende landen, zoeken Belgrado op om er de hippe kroegen te ontdekken. Goed voor het land, maar er gaat ook iets verloren.

Zo hip is Belgrado tegenwoordig, dat zelfs de New York Times er aandacht aan besteedt. ’Sin city’ doopte de krant de Servische hoofdstad, een stad waar alles mogelijk is. Vooral jongeren uit omliggende landen, uit Kroatië en Slovenië, hebben dat ontdekt. Afgelopen december kwamen er alleen al 10.000 Slovenen. De buren zijn vooral fan van de turbofolk-feestboten op de Sava.

Dat geldt bepaald niet voor Jelica Novakovic en Sven Peeters. De Servische, hoofd van de vakgroep Neerlandistiek aan de Universiteit van Belgrado, en de jonge Belg (die daar doceert), stelden een kroegengids van Belgrado samen: Het Kafana-tribunaal. Novakovic en Peeters beschrijven erin hoe westers-geöriënteerde kroegen de oude café-cultuur van de ’kafana’s’ verdringen.

Ondanks hun sympathie voor die kafana’s, stuitten de twee juist daar op heel wat wantrouwen. „Wat wil je”, stelt Novakovic. „Een Servische vrouw en een buitenlander die ook nog eens met elkaar praten in de taal van een verdacht land, dat van het Joegoslavië-tribunaal. Maar met wat drank kwamen de tongen wel los.”

Dat soort toeschietelijkheid vonden ze veel minder in de nieuwe clubs, die als paddestoelen uit de grond schieten. Terwijl de kafana’s van oudsher plekken waren waar mensen uit alle lagen van de bevolking kwamen, vind je in de nieuwe kroegen vooral mensen die willen laten zien hoeveel geld ze hebben. Die protserigheid is kenmerkend voor het nieuwe Servië, waar je, volgens Novakovic, ’je rijkdom met je meedraagt’. „In Nederland komt dat glamourgedrag minder voor, vanuit een klassebepaalde zelfverzekerdheid. Die bestaat hier nog niet.”

Ook Vladimir Jeric, lid van de Servische alternatieve band Darkwood Dub, is niet zo’n fan van de nieuwe clubcultuur, die hem veel te commercieel is. „Die Slovenen geloven in het stereotype van het wilde Belgrado. Dat klopt deels, maar het is niet meer zoals in de jaren negentig.” In die jaren, en vooral tijdens de Navo-bombardementen in 1999, danste de Belgradose jeugd de stress weg in de kelders van de stad.

Toch is Jeric wel positief over de nieuwe populariteit van Belgrado’s uitgaansleven, die zorgt voor ontmoetingen tussen mensen uit verschillende landen. Dat wordt hoog tijd, want door armoede en een streng visum-regime in het westen, is meer dan 70 procent van de Servische studenten nooit de grens over geweest. „Serviërs klagen nogal eens dat ze buitengesloten worden, maar in dit geval kunnen ze hun positie van buitenstaander juist exploiteren”, meent hij. „De regels zijn hier losser, een voordeel van het feit dat we niet bij de EU horen.”

En daarbij kan oud en nieuw soms best verbonden worden, ondervonden ook Novakovic en Peeters. In café Kule bijvoorbeeld, waar het oude kafana-gevoel nog aanwezig is, maar waar de jonge kroegbaas Vlada zijn eigengebrouwen rakija serveert in een kunstgalerie. Peeters ontmoette al iemand die de Servische huisdrank, heel modern, in de markt wil zetten. „Sommige mensen denken al na hoe ze met Servië kunnen uitpakken in het buitenland.”

J. Novakovic en S. Peeters - Het Kafana-tribunaal, Kroegvonnissen van turbo tot retro.

mailIcon print |