De executie van Saddam Hoessein doet anders vermoeden, maar de tirannen in het Midden Oosten hebben de wind in de zeilen. Deels danken ze dat aan Saddam, die zelf niet meer kon profiteren van een omslag die hij nog wel tot stand bracht – nota bene nadat de Amerikanen hem ten val hadden gebracht.
Op internet verschenen dezer dagen reacties in de trant van: „De oud-collega’s van Saddam zullen hun eigen nek ook wel hebben gevoeld.” Maar de werkelijkheid is dat de tirannen in het Midden-Oosten juist nu optimistisch de wereld inblikken, mede dankzij Saddam.
Een voorbeeld is de Libische leider Moammar Al-Kadafi. Weinigen hebben een zo fijne neus voor wisselend tij als hij. Sinds 1969 is hij aan de macht, formeel als ’ambteloos burger’, liefkozend door zijn propaganda ’broeder leider’ genoemd. Kadafi begreep als weinig anderen dat de wereld niet meer dezelfde was na de aanslagen in Amerika van 11 september 2001. Om aan het lot van de Afghaanse taliban en Saddam te ontkomen leverde hij alle spullen waarmee hij bezig was massavernietigingswapens te produceren netjes bij de Amerikanen in. Maar aan het eind van het afgelopen jaar liet Kadafi op twee manieren merken dat hij zich weer sterker waant dan ooit tevoren.
Eerst schoffeerde hij de Westerse wereld, door Bulgaarse verpleegkundigen en een Palestijnse arts, die al jaren vastzitten, opnieuw ter dood te laten veroordelen voor een misdaad die ze niet kunnen hebben gepleegd. Vanuit de Arabische publieke opinie kreeg hij overigens veel applaus, want daar ging het verhaal erin als koek als zouden de verdachten in opdracht van Westerse geheime diensten Libische kinderen met hiv hebben besmet.
Kadafi had het Westen getrotseerd; daarna was de eigen, Libische bevolking aan de beurt. Die krenkte hij via de theologie. Een dag voor het slachtfeest liet hij weten dat ook christenen en joden mogen meedoen aan de rituelen van de jaarlijkse hadj, de pelgrimage naar Mekka. Hij had daar boeiende argumenten voor, ontleend aan de Koran. Maar daar ging het niet om. Het was een provocatie met als boodschap: „Ik, Kadafi, ben de baas en ik doe en zeg wat mij belieft. Ook al vloekt het met jullie godsdienstige overtuiging. Niemand doet mij wat”.
De Egyptische president Hosni Moebarak pakt het omzichtiger aan. Hij heeft te maken met sterkere tegenkrachten, waardoor hij zich minder kan veroorloven dan Kadafi. Hij zal het niet in zijn hoofd halen om Egyptenaren te tarten met theologische ketterijen. Maar sinds jaar en dag verzint hij wel in grote lijnen de uitslag van verkiezingen en referenda.
Toen de Verenigde Staten hun visioen van een democratisch Midden-Oosten ontvouwden, begreep Moebarak dat ook hij over de brug moest komen, of in elk geval die indruk moest wekken. In de herfst van 2005 waren er presidentsverkiezingen met tegenkandidaten. Weliswaar kregen die minimale ruimte voor een campagne; maar een van hen, Ayman Nour, lukte het toch om een echte aanhang achter zich te verzamelen. Moebarak begreep dat hij dat niet over zijn kant kon laten gaan. Ayman Nour kreeg vijf jaar cel op een bespottelijke aanklacht.
Dit soort schommelingen in humeur en gedrag van dictators heeft veel te maken met de toestand in Irak, maar niet alles.
Er zijn ook andere factoren.
De hoge olieprijs werkt in het voordeel van die dictators die er een ruime hoeveelheid van hebben – zoals Kadafi. Ze kunnen de eigen bevolking gemakkelijker tevreden stellen en weten dat ook Westerse landen, die aandringen op democratie, dat met de hoed in de hand moeten doen: die zijn afhankelijk van olie voor hun energievoorziening.
Dictators kregen lange tijd het verwijt dat ze de vooruitgang tegenhielden. Het leek duidelijk dat democratische landen economisch, technologisch, wetenschappelijk en militair beter presteerden dan dictaturen. De ondergang van het communistische sovjetblok, eind jaren tachtig, leverde het doorslaggevende bewijs voor die stelling.
Maar China met zijn ruim een miljard inwoners lijkt aan te tonen dat dictatuur en economische vooruitgang wel samen kunnen gaan. Arabische dictators voelen zich daardoor gesterkt. Ook Ruslands Poetin biedt hen nieuwe hoop.
Halverwege de jaren tachtig stortte hun wereld in elkaar, toen onder hervormer Gorbatsjov de Sovjet-Unie niet langer de wapenwedloop van Arabische landen met Israël wilde bekostigen. Nu zien Midden-Oosterse potentaten met genoegen hoe Poetins Rusland, opvolger van de Sovjet-Unie, steeds meer de autoritaire kant opschuift. Vooral de poloniummoorden moeten hun de indruk hebben gegeven dat er in het Kremlin weer een geestverwant zetelt.
Al die internationale ontwikkelingen spelen mee, maar belangrijker lijkt toch het Iraakse conflict. Midden-Oosterse dictators hebben bekwaam gereageerd op de Amerikaanse inval in Irak in 2003. Het was niet mis, de VS presenteerden het als hun missie om in het Midden-Oosten democratie te brengen. Irak zou de eerste vlam zijn, die zou moeten overslaan naar andere landen. Daarop zaten de dictators niet te wachten.
Met name de naaste buren van Irak – Syrië en Iran – moesten rekening houden met een Amerikaanse invasie in hun eigen land. De Arabische leiders probeerden het met cosmetische ingrepen te doen voorkomen alsof ze ’de nieuwe tijd’ hadden begrepen. Waarschijnlijk met genoegen zagen ze hoe hun radicalen naar Irak trokken, om daar tegen de Amerikanen te vechten. Dat had voor Arabische regimes veel voordelen. De strijders zouden het de Amerikanen moeilijk maken om hun grote democratiseringsproject tot een goed einde te brengen. Verder hoopten de regimes dat veel strijders zouden sneuvelen, zodat ze zelf nooit meer last van hen zouden krijgen. Die strijders, vaak van het type Al-Kaida, kregen veel publiciteit, onder andere met de video-opnames van onthoofdingen van Westerse gijzelaars.
Maar andere krachten zijn belangrijker. Iran heeft Irak volgepompt met agenten. Zonder Iraanse hulp krijgt niemand meer de geest in de fles van dolgedraaide sjiitische milities. Een goede reden voor Amerika om Iran met rust te laten. Ook de misdragingen van die sjiitische milities, zelfs bij de executie van Saddam, spelen de Arabische heersers in de kaart. Ze konden hun onderdanen al wijzen op de chaos in Irak met de impliciete vraag: wil je dat liever dan ons?
Ze kunnen nu een tweede spookbeeld oproepen, door het Iraakse conflict voor te stellen als onderdeel van de oeroude strijd tussen de soennitische en de sjiitische islam. Koning Abdallah van Jordanië stookte dat vuurtje eind 2004 al hoog op met zijn bewering dat er twee miljoen sjiitische Iraniërs in Irak waren geïnfiltreerd.
Eerder dat jaar voltrok zich polarisatie onder soennitische en sjiitische extremisten. Op internet baden toen aanhangers van onthoofder Aboe Moesab Zarkawi dat God aan de Amerikaanse christenen de overwinning zou schenken tegen de sjiitische afgodsdienaars in de heilige stad Nadjaf.
De rol van Saddam en de zijnen in dit geheel was essentieel. Ze hebben zich goed voorbereid op de periode na de onvermijdelijke militaire nederlaag tegen het Amerikaanse leger. In 2003 is er een document gevonden op Iraakse politiebureaus, waarin de strategie wordt geformuleerd: sabotage van nutsbedrijven, infiltratie bij politieke tegenstanders, moorden op sjiitische geestelijken. Het is Saddam en de zijnen na hun val met dit soort (en veel ergere) acties gelukt een doorstart te bewerkstelligen van de hel die ze in voor hen betere tijden hadden geschapen. Toen ze aan de macht waren lieten ze elke week honderden mensen ophangen in gevangenissen. Afgelopen jaar pakten ze het anders aan, door bijvoorbeeld autobommen te laten ontploffen bij basisscholen. De strategie lijkt absurd, maar is effectief: vermoord zoveel mogelijk eigen mensen. Op den duur zullen die zich niet tegen jou, maar tegen de Amerikanen keren – omdat die hen niet kunnen beschermen tegen jouw terreur. Mensen zullen de moordenaars smeken de macht weer over te nemen omdat zij als enigen een einde kunnen maken aan het moorden.
Hoe ontmoedigend het er ook mag uitzien, toch zijn de krachten van de democratie niet dood, niet in Irak en niet in de rest van het Midden-Oosten. Maar nog maar een jaar geleden lagen de kaarten gunstiger dan nu. Aan verkiezingen in Irak deden toen ineens ook veel soennieten mee, in Libanon was een krachtige democratiseringsbeweging.
Op de dag van Saddams executie liet de satellietzender Al-Jazeera zien, hoe spectaculair ook de Arabische wereld, vroeger het eldorado van de persbreidel, een informatiecultuur heeft ontwikkeld. De meningen die je hoort zijn soms tenenkrommend – maar je hoort ze tenminste.
Er is geen dictator meer die de luiken van zijn land even hermetisch kan sluiten als Saddam deed in de jaren tachtig, toen hij sjiieten en Koerden uitmoordde. Nu zou dat via de mobiele telefoon meteen wereldwijd bekend zijn.
Moorden in het verborgene kan niet langer. Met die beperking zullen dictators moeten leven. En ze zullen na de beelden van Saddams executie inderdaad vaker dan vroeger naar hun nek grijpen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.