*

 

Een en al opstandigheid

Haideh Daragahi − 17/03/07, 00:00

De sterke vrouwenbeweging in Iran is geen westers importartikel, maar kent een rijke, eigen geschiedenis. Zo was daar in de negentiende eeuw die ene dappere, erdudiete vrouw, Fatemeh Baraghani. Ze gaf op jonge leeftijd les aan religieuze geleerden en was voorvechtster van hervormingen die vooral vrouwen ten goede zouden komen.

Begin deze maand arresteerden veiligheidstroepen van de islamitische republiek Iran de top van de Iraanse vrouwenbeweging. De vrouwen hadden zich buiten het gerechtshof verzameld om steun te betuigen aan de vijf activistes die in juni vorig jaar hadden meegedaan aan een vreedzame demonstratie tegen verscheidene onderdelen van de sharia, de islamistische rechtspraak.

Waarom is de vrouwenrechtenkwestie, met het verzet tegen de verplichte hoofddoek als het tastbaarste symbool van de onderdrukking van vrouwen, een constante doorn geweest in het vlees van het islamitische regime, sinds het in februari 1979 werd geïnstalleerd? Vergeleken met de rest van de islamitische wereld is de situatie in Iran uniek. Om dat te begrijpen is het noodzakelijk om terug te gaan naar de eerste helft van de negentiende eeuw, en, nog specifieker, naar één enkele, krachtige vrouw.

„Ze was een en al opstandigheid.” Deze – niet sympathiek bedoelde – opmerking van een literair historicus vat het korte leven samen van een van de opmerkelijkste vrouwen uit de moderne geschiedenis. Fatemeh Baraghani was de eerste vrouw in de islamitische wereld die meer dan honderdvijftig jaar geleden in het openbaar haar hoofddoek afdeed.

Haar bijnaam, die ze kreeg van de leider van een reformistische Iraanse religieuze school, luidde ’Ghorratulein’: het licht van het oog. Ook werd ze ’Tahereh’, de pure, genoemd. Fatemeh Baraghani geloofde dat alle rijkdom diefstal was, schreef poëzie en wetenschappelijk traktaten en gaf – ze was nog geen dertig – vanachter een gordijn les aan religieuze geleerden in de heilige stad Karbala.

Omdat ze een leidende rol speelde binnen een onderdrukte religieuze beweging zijn de meeste van haar geschriften verloren gegaan of vernietigd, en in haar geboorteland Iran zijn vele pogingen gedaan om Baraghani uit de geschiedenis te wissen. De groeiende erkenning voor haar persoon is voor het grootste deel het resultaat van onderzoek door de seculiere feministische beweging gedurende de laatste achtentwintig jaar. Hoewel er ook geschriften over haar leven in het Engels en Frans bestaan, is ze binnen het westerse feminisme niet bekend. Een reden hiervoor zou het typische eurocentristische provincialisme kunnen zijn dat niet in staat is vrouwen van dit formaat te plaatsen als ze afkomstig zijn uit een verkeerd deel van de wereld.

Fatemeh Baraghani werd in 1814 in de stad Ghazwin in centraal Iran geboren, in een vooraanstaande en welvarende religieuze familie. Haar hartstocht voor leren spoorde haar vader aan om haar en haar zus het lezen en schrijven bij te brengen, en om leraren aan te stellen die haar de benodigde algemene basiskennis bijbrachten. Als kind liep ze ook naar de nabijgelegen privéschool voor jongens en luisterde vanachter de deur naar de les. Als jonge tiener had ze al het een en ander opgestoken over Arabische literatuur, retoriek, theologie, islamitische rechtspraak en koraninterpretatie. Haar broer, eveneens een goed onderlegde geleerde, zei over zijn zus: „We durfden in haar aanwezigheid niet veel te zeggen. We waren geïntimideerd door haar enorme kennis. In een discussie kon ze zo helder en overtuigend redeneren dat we eigenlijk te schande werden gemaakt.”

Op veertienjarige leeftijd werd Fatemeh Baraghani uitgehuwelijkt aan haar neef. Ze kreeg in de loop van haar huwelijk twee zoons en een dochter. In 1828, kort na de bruiloft, volgde ze haar man die zijn opleiding in Karbala wilde voorzetten. Samen met Najaf was Karbala (in die dagen onder Ottomaans bewind, nu beide in Irak gelegen) het belangrijkste centrum voor sjiitische wetenschap.

Het belangrijkste religieuze debat binnen de sjiitische stroming voltrok zich tussen de osuli’s (de fundamentalisten van die dagen) en de vernieuwende sheikhi’s. Ghorratulein was al op de hoogte van de controverse, aangezien een van haar broers een sheikhi was, terwijl een oom, die inmiddels haar schoonvader was geworden, tot de osuli’s behoorde. Deze oom was tevens een van de eerste geestelijken die bevoegd was een doodvonnis uit te vaardigen tegen de grondlegger van de sheikhi-beweging.

Na de dood van deze oprichter en de vergiftiging van zijn opvolger verzamelden enkele van hun volgelingen zich rond een jonge geleerde, Seyyed Ali Mohammad, beter bekend als Baab. Hij ontwikkelde de sheikhi-hervormingen binnen het sjiitisme, brak hier uiteindelijk helemaal mee, schreef een boek en verklaarde het baabisme tot nieuw geloof.

In het midden van de negentiende eeuw was Iran nog een feodale samenleving en het was ondenkbaar dat iemand nieuwe ideeën buiten een religieus raamwerk ventileerde. De lessen van Baab zaten daarom vol met eigenaardigheden en inconsequenties. Toch waren zij in sommige opzichten buitengewoon revolutionair: „De wereld behoort toe aan God. Alle eigendom behoort aan Hem toe, terwijl een kleine groep mensen beslag heeft gelegd op hetgeen tussen jullie allen eerlijk verdeeld zou moeten worden. Wij vinden het eigendomsrecht het grootste sociale onrecht.”

De baabi’s geloofden dat boeren geen rechten over het land verschuldigd waren aan de eigenaren. Ze waren vóór verplicht onderwijs, tegen het slaan van kinderen en tegen de doodstraf. Baab deed ook de polygamie in de ban, vond dat beide partijen met een huwelijk moesten instemmen en zag sociaal contact tussen mannen en vrouwen als een gegeven. In de woorden van een hedendaagse geschiedkundige over de baabi-beweging: „Hij bevrijdde vrouwen van de onderworpenheid van de hoofddoek.” De verspreiding van zijn ideeën alarmeerde het hof en het religieuze establishment. Baab werd gearresteerd en verbleef tot zijn executie op dertigjarige leeftijd in de gevangenis.

Toen Fatemeh Baraghani na dertien jaar in Karbala naar huis terugkeerde, schreef ze een pamflet ter verdediging van de ideeën van de sheikhi’s en stuurde het naar de sheikhi-voorman. Overweldigd door haar eruditie en de kracht van haar argumentatie gaf hij haar de Arabische bijnaam ’Ghorratulein’.

Langzamerhand werd het voor haar ondraaglijk om samen te leven met een echtgenoot met een orthodoxe geest. Ghorratulein ging opnieuw op weg naar Karbala, dit keer in gezelschap van haar zus en zwager.

Tegen de tijd dat ze daar aankwamen was de sheikhi-voorman dood, en zijn vrouw, die Ghorratulein in haar huis ontving, vroeg haar om de lessen van haar man voort te zetten. En zo, op 29-jarige leeftijd, onderwees Ghorratulein islamitische geleerden vanachter een gordijn, met de mannen aan de ene, en de vrouwen aan de andere kant.

In 1847 stuurde de Ottomaanse regering haar terug naar Iran. De onconventionele manier waarop Ghorratulein haar religieuze tegenstanders tot openlijk en publiek debat uitdaagde, was ondraaglijk – zelfs voor sommige baabi’s die met hun klachten naar Baab zelf gingen. Maar zijn steun aan haar was onvoorwaardelijk. Met het risico een deel van zijn volgelingen van zich te vervreemden, schreef hij een brief als antwoord op de beschuldiging dat Ghorratulein zich immoreel en onfatsoenlijk zou gedragen. Hierin betichtte hij haar belagers van kortzichtigheid en gaf haar de bijnaam ’Tahereh’ (de pure).

Bij terugkeer in haar geboortestad Ghazwin scheidde zij van haar echtgenoot, die op zijn beurt zijn best deed om haar betrokkenheid te insinueren bij de moord op zijn orthodoxe vader. Ghorratulein werd vastgezet, maar ontsnapte met hulp van aanhangers van Baab. Terwijl ze ondergedoken zat in Teheran propageerde zij krachtig het idee om een grote baabi-vergadering bijeen te roepen. Die zou de kwestie moeten beslechten of de baabi’s een reformistische sjiitische groepering vormden of de advocaten waren van een nieuw geloof.

Baab zelf zat in de gevangenis toen deze bijeenkomst van 81 leidende figuren uit de baabi-beweging in 1848 plaatsvond in Badasht. In de loop van de bijeenkomst en na zeer lange discussies overtuigde Ghorratulein haar tegenstanders van een duidelijke breuk met het verleden, in zoverre dat alle oude religieuze voorschriften zoals bidden, vasten als ook het betalen van religieuze belastingen werden herroepen. Deze gedachtelijn zou met de grote achterban gedeeld moeten worden. Tijdens haar toespraak trok ze het gordijn van waarachter zij sprak omlaag, als een symbolisch gebaar om de noodzaak van het onthullen van de waarheid te onderstrepen.

Nu is uit historische verslagen, onder andere van Comte de Gobineau, een Franse diplomaat die in die tijd in Iran woonde, bekend dat Ghorratulein bij eerdere gelegenheden zonder hoofddoek was verschenen, maar daar was niet zoveel ruchtbaarheid aan gegeven. In Badasht bevond ze zich ook ongesluierd achter het gordijn.

Het verhaal wil dat sommige mannen uit het publiek bij de aanblik van een vrouw zonder hoofddoek op de vlucht sloegen en dat één man haar daad zo ondraaglijk vond dat hij probeerde zijn keel door te snijden. De bijeenkomst werd verstoord door tussenkomst van regeringstroepen en vanaf dat moment was de grootschalige vervolging van de baabi’s een feit. Voor het eerst namen de baabi’s de wapens op.

Dit verzet kreeg zijn legendarische finale in het Sheikh Tabarsi kasteel, waar de meeste baabi-leiders zichzelf hadden opgesloten en waar de toevoer van water en voedsel stil was komen te liggen. Regeringsvertegenwoordigers zwoeren plechtig op de Koran dat ze ongedeerd zouden blijven als ze naar buiten zouden komen. Daarna leverden ze de baabi-leiders uit aan de verschillende kampen in de bazaar van Teheran, en ieder van hen werd op zo gruwelijke wijze ter dood gebracht dat het elke beschrijving tart.

Ghorratulein werd gearresteerd en vastgezet in een park in het centrum van Teheran, in een kamer op de tweede verdieping die alleen met een ladder bereikt kon worden. Hier ontving ze bezoekers, sommigen waren vrouwen die zich door haar lessen tot het baabisme bekeerd hadden. Onder de bezoekers was ook een afgezant van het hof die aanbood haar leven te sparen als zij haar geloof zou afleggen. Door dit aanbod af te slaan tekende ze niet alleen haar eigen doodvonnis, maar keerde ze zich ook tegen de islamitische bepaling van ’taghia’, die moslims de mogelijkheid biedt hun geloof te ontkennen als hun leven in gevaar is.

De executie van Ghorratulein werd bijgewoond door een Duitse dokter die hiervan schriftelijk verslag deed. Midden in de nacht brachten ze haar naar de IIkhani-tuin, en omdat er in de islam geen overeenstemming bestaat over het vergieten van het bloed van een vrouw, propten ze een sjaal in haar keel, gooiden haar levend in een put en vulden deze met stenen en aarde. Ze was 36 toen ze stierf.

De erfenis van Ghorratulein werkte door in de strijd voor de bevrijding van vrouwen in Iran gedurende de volgende honderdvijftig jaar. Het thema vrouwenrechten werd al opgepikt ten tijde van de constitutionele revolutie van 1906. De deelname van vrouwen aan het politieke leven werd besproken, maar het voorstel om vrouwen actief en passief stemrecht te geven stuitte op sterke weerstand en werd door conservatieve krachten geheel geschrapt.

De kwestie van meisjesscholen en vrouweneducatie was daarentegen succesvoller. Pionierende vrouwenactivisten richtten aan het begin van de twintigste eeuw meisjesscholen en tijdschriften voor vrouwen op. Maar de kwestie die het debat meer dan alle andere domineerde was die van de sluier. Iraanse dichters en schrijvers noemden de sluier de schande van de Iraanse samenleving. Het zwarte doodskleed was het symbool van de levend-maar-toch-dood toestand waartoe vrouwen veroordeeld waren. Sedigheh Dowlatabadi (1882-1962), die een vrouwenorganisatie, een meisjesschool en een vrouwentijdschrift oprichtte, schreef in haar testament dat ze niet wenste dat een gesluierde vrouw haar graf zou bezoeken. Tegen deze achtergrond was het geen toeval dat op 8 maart 1979, toen Khomeini slechts 25 dagen aan de macht was en verklaarde dat vrouwen gesluierd naar het werk moesten, duizenden vrouwen spontaan de straten van Teheran en andere grote steden opgingen, met spandoeken waarop stond: ’De vrijheid van vrouwen is de maat voor de vrijheid in elke samenleving’. Ze scandeerden: „We zijn geen revolutie begonnen om achteruit te gaan.”

In Teheran duurde de demonstratie drie dagen, ze werd gefilmd door twee Franse journalisten. De film vangt hét moment in de Iraanse vrouwenbeweging. Dat verhaal, de voortdurende strijd voor vrouwenrechten in Iran, verdient het om afzonderlijk verteld te worden. Maar het begon ooit met die ene dappere vrouw: Fatemeh Baraghani.

Vertaling Andrea Bosman

mailIcon print |