Hemelsbreed bedraagt de afstand tussen de Birzeit-universiteit in Ramallah en de universiteit van Tel Aviv 45 kilometer, maar er zijn weinig plekken op aarde waar de afstanden zo klein zijn en de werelden zo verschillen. De Palestijnse studenten worstelen met de bezetting, de checkpoints en hun toekomst. Ze zijn moedeloos. De Israëlische studenten zijn vooral oud-soldaat en nog voor jaren reservist.
Het muurtje aan de rand van de campus van de Birzeit Universiteit biedt een weids uitzicht. Wie goed kijkt, ziet in de verte de hoge kantoorgebouwen van Tel Aviv. Plots breekt daar de zon door. Onder de horizon begint een smalle strook te glinsteren. „De zee, de zee,” roept Roeba (19). Ze klimt met haar vriendin Eman op het muurtje en tuurt richting Tel Aviv.
Eman (20) heeft het strand lang niet gezien. Israël geeft haar alleen een vergunning om de Westelijke Jordaanoever te verlaten voor speciale gelegenheden. Roeba kan wel naar zee. Zij staat ingeschreven als inwoner van Jeruzalem. Haar identiteitskaart verschaft haar toegang tot Israël. Roeba woont illegaal in Ramallah. „Illegaal voor Israël,” verduidelijkt ze, „eigenlijk zou ik overal mogen wonen. En ik ga nooit naar het strand, want mijn vriendinnen kunnen niet mee. Met mijn ouders is er weinig aan.”
Roeba en Eman studeren samen met 8000 andere studenten aan de Birzeit Universiteit, de op twee na grootste Palestijnse universiteit, vlak naast Ramallah. Roeba: „Ik ben een vluchteling. Mijn grootvader vluchtte in 1948 van zijn land naast Tel Aviv, uit angst voor de Israëliërs. Ik ben geboren in Ramallah. Maar ik hoor hier niet, ik hoor op mijn grootvaders land.” Roeba heeft donker, lang loshangend haar. Haar vriendin Eman studeert mediasociologie. Ze draagt een roze hoofddoekje die haar hals, haar en oren bedekt. Zij woont sinds haar geboorte op de Westelijke Jordaanoever. Beiden schrijven voor een jongerenblad.
Roeba: „Mijn laatste verhaal gaat over mijn jeugd. Toen ik vier was, liep ik met mijn moeder over straat. Plots begon een Israëlische soldaat te schieten en mijn moeder trok mij een winkel in. De eigenaar sloot de luiken en gaf mij snoepjes. Jarenlang dacht ik dat als ik een snoepje kreeg, er iets aan de hand was.”
Ook Eman schrijft verhalen. „Ik schrijf niet over het conflict, maar over de Palestijnse cultuur. Door de bezetting voelt iedereen zich uitgeput en leeg, misschien dat cultuur ons kan verrijken. En ik wil later journalist worden. Denk ik. Eigenlijk weet ik het nog niet.”
De meeste studenten op Birzeit halen bij het woord ’toekomst’ moedeloos hun schouders op. Roeba: „Onze ouders zijn moegestreden en onze generatie kan de bezetting niet stoppen. Soms verlang ik naar een oorlog, misschien kan dat iets veranderen.”
Decaan Moenir Koezzaz (46) studeerde vijfentwintig jaar geleden biologie aan Birzeit. Na zijn studie promoveerde hij in Engeland in de neurofysiologie en doceerde in Canada. Zeven jaar geleden kwam hij terug naar Birzeit. Hij ontmoette er een nieuwe generatie studenten.
Koezzaz: „Ik heb medelijden met de studenten. Deze generatie groeide op tijdens de eerste Intifada. Hun scholen waren voortdurend gesloten en overal was geweld. Je merkt dat ze gewend zijn aan geweld. Ze zijn agressiever dan studenten vijfentwintig jaar geleden. Zo moesten we Birzeit in februari kort sluiten omdat er opstanden uitbraken. Veel studenten hadden om financiële bijstand gevraagd. Studenten die niets kregen, waren woest. Ze bezetten het administratiegebouw en joegen medewerkers van het terrein.”
De decaan denkt dat studenten een grote rol gaan spelen in een nieuwe golf van verzet. „De studenten beginnen zich verantwoordelijk te voelen voor Palestina, ook al weten ze nog niet hoe ze het moeten aanpakken. Vrouwen zullen in het verzet een belangrijke rol gaan spelen. Ze nemen nu al het voortouw. Meisjes zijn politiek actiever, voelen een enorme betrokkenheid en werken vaker dan jongens voor hulporganisaties. Ook de traditionele moslimmeisjes met hoofddoek.’’
Alle secretaresses, assistenten en pr-medewerkers op Birzeit zijn vrouwelijke studenten. Hun cijfers zijn vaak hoger dan die van jongens. Roeba: „Ik houd mij aan de regels van mijn religie, maar als mijn vader zegt dat ik als meisje ’s avonds niet weg mag, vraag ik hem: ik heb toch geen kinderen die op mij wachten? En dan ga ik toch.”
In het theater van Birzeit speelt een toneelstuk. Het gaat over een echtpaar. De vrouw maakt de vloer schoon en de echtgenoot staat triomfantelijk met zijn voet op haar rug. Na de scène vraagt de verteller het publiek hoe vrouwen zo’n situatie kunnen vermijden. Een modieus gekleed meisje denkt het te weten. De verteller vraagt haar dezelfde scène over te spelen. Het meisje dwingt de echtgenoot haar te vragen of ze de vloer wil schoonmaken. Het werkt. De echtgenoot bedankt zijn vrouw.
Maar het zijn alleen de meisjes zonder hoofddoek die reageren op de vraag van de verteller. De meisjes met hoofddoek zeggen niets. Van de 4000 studentes op Birzeit, zou de helft niet opvallen op een Europese universiteit. De andere studentes dragen lange jassen, handschoenen en bedekken hun haar, oren en hals met een hoofddoek. Een enkeling bedekt het hele gezicht.
Het is niet de enige scheidslijn op Birzeit. Vorige maand waren er verkiezingen voor de studentenraad. Hamas behaalde 23 zetels, één meer dan Fatah. Op de dag van de verkiezingen schoten Fatah-aanhangers met kalasjnikovs in de lucht. Sindsdien heeft Birzeit extra maatregelen genomen om het terrein te beveiligen.
Koezzaz: „We moesten het open karakter van onze universiteit beschermen. Grofweg kent de universiteit drie groepen: liberale studenten uit Ramallah, anti-Israëlische studenten uit vluchtelingenkampen en gelovige, conservatieve studenten uit de dorpen. Vroeger respecteerden studenten hier altijd elkaars mening. De studenten kunnen dat nog steeds, maar als er ruzies ontstaan, zijn die feller dan vroeger.”
Niet iedereen is even fel. Sommige jongens hebben de kracht verloren om politiek actief te zijn omdat zij, of hun vrienden, gevangen hebben gezeten. Naar schatting heeft een op de zeven studenten een Israëlische cel van binnen gezien. Ta’er Wasjaha (24): „Tijdens mijn eerste jaar op Birzeit ben ik gearresteerd. Israëlische soldaten brachten me naar een gevangenis en bonden mij vast aan een stoel. Ze dachten dat ik lid was van Bevrijdingsfront voor Palestina (PFLP) en wilden namen.”
„Ik was geen lid van de PFLP. Ik schreef enkel politieke pamfletten. Twee maanden lieten ze mij op die stoel zitten. Ik mocht nauwelijks slapen, als ik in slaap viel, gooiden ze water in mijn gezicht. In de eerste week sliep ik drie uur. Na twee maanden brachten ze mij naar een militaire rechtbank. De rechter veroordeelde mij tot 24 maanden cel voor lidmaatschap van de PFLP. Na 24 maanden lieten ze mij vrij, maar tien maanden later werd ik weer opgepakt. Nu brachten ze mij zonder proces naar een kamp in de woestijn. Na 27 maanden mocht ik terug naar Birzeit. Mijn plan om psychologie te studeren heb ik laten varen, ik kan mensen niet helpen. Ik heb zelf hulp nodig. Nu doe ik maar bedrijfseconomie. Ik schrijf geen pamfletten meer. Door er te zijn, een mens te blijven, verzet ik mij genoeg.”
Ook Hassan (27), zat vijf jaar gevangen. „Ik verzet mij niet meer,” vertelt hij. „Ik verzorg nu een hoteltuin. Het is mijn tuin en als de bloemen bloeien, ben ik tevreden. Soms bid ik dat een aardbeving Palestina en Israël in één keer zal wegvagen. Misschien zijn we in de hemel wel sterker.’’
Eman: „Misschien gaan vrouwen het verschil maken, maar voorlopig is Israël te sterk. De enige manier om de bezetting te bestrijden is door gelukkig te blijven. Ik droom niet over de muur, die is niet mijn nachtmerrie. Hij staat er alleen. Binnen die muren ben ik best gelukkig.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.