*

 

Oude filmster mist haar stad Kaboel

Minka Nijhuis − 19/05/07, 00:00

De Afghaanse Hamida Alami beleeft op hoge leeftijd, zij schat zichzelf tussen de 70 en 80 jaar, nog een filmcarrière. Ze speelde in ’Osama’ en schittert binnenkort in ’De Vliegeraar’. Maar ook een filmster ontkomt niet aan een gedwongen verhuizing.

Het gebouw waar de bejaarde Hamida Alami woont, ziet eruit alsof de oorlog in Kaboel nog in volle gang is. De muren zitten vol kogelgaten en granaatinslagen, en in de kozijnen is plastic gespannen. In het gehavende trappenhuis hangt de stank van uitwerpselen en urine.

Het voormalige kantoor van de geheime dienst wordt bewoond door Afghaanse vluchtelingen. Ze keerden terug uit Pakistan nadat eind 2001 de taliban uit Kaboel verdreven werden. Bij gebrek aan huisvesting namen ze, net als veel andere ontheemden, hun intrek in een van de leegstaande, vernielde gebouwen van de stad.

Op de vierde verdieping achter een deken die als deur fungeert, koestert Alami herinneringen aan betere momenten en aan de wonderlijke wending die haar leven tijdelijk nam. Het valt in de haveloze omgeving moeilijk voor te stellen dat Alami een carrière op het witte doek achter de rug heeft. Zo’n vijf jaar geleden werd ze in het vluchtelingenkamp in Pakistan, waar ze terecht kwam nadat ze in 1996 vluchtte voor de taliban, uitgekozen om de rol van grootmoeder te spelen in de film ’Osama’ van de Afghaanse filmmaker Siddiq Barmak.

De film vertelt het verhaal van een Afghaans meisje dat zich tijdens het regime van de taliban met behulp van haar moeder en grootmoeder als jongen vermomt om de kost te verdienen voor de manloze familie. ’Osama’ kwam uit in 2003 en werd een wereldwijd succes. Het is wel duidelijk waarom de keuze van Barmak, die graag met niet-professionele acteurs werkt, op Alami viel. De expressie spat van haar gezicht terwijl ze vertelt. Vanuit haar ooghoeken waaieren rimpels uit naar haar wangen en zelfs haar neus verfrommelt af en toe. Ze gebaart levendig met haar handen en haar stem wisselt voortdurend van intonatie.

Zoals veel vrouwen van haar generatie ging ze nooit naar school en ze kan niet lezen of schrijven. Het script leerde ze door te luisteren. „Ik was net een schaap. Ze lazen me de tekst voor en ik blaatte die na.” Ze giechelt bij de herinnering. Even doet de ondeugende glans in haar bruine ogen haar jonger lijken dan de zeventig à tachtig jaar waarop ze zichzelf schat. Een paar maanden geleden speelde Hamida opnieuw in een prominente film. Ze kreeg een bijrol in de ’De Vliegeraar’, de verfilming van de gelijknamige bestseller van de Afghaanse schrijver Khaled Hosseini. Een verhaal over de vriendschap tussen twee jongens uit verschillende sociale klassen die door persoonlijk verraad en door de tragische geschiedenis van Afghanistan uit elkaar gedreven worden. De film komt eind 2007 uit.

Waar ’De Vliegeraar’ precies over gaat, is Alami al weer vergeten, maar het leven op de filmset heeft wel een blijvende indruk achtergelaten. Vanwege de ongewisse veiligheidssituatie in Afghanistan werd de film in China opgenomen. „Het voelde alsof ik terug was in de schoot van mijn moeder,” zegt ze over haar verblijf daar. Ze somt de geneugten op van het hotel waar ze logeerde. „Ik had gordijnen van zijde, een haardroger en elke dag wel vier of vijf witte handdoeken. Er waren meisjes die de kamer opruimden. Ik kreeg Fanta, melk en Pepsi en drie maaltijden per dag.” Uit de metalen kist in de hoek van de kamer haalt Alami foto’s tevoorschijn om haar verhaal te illustreren. Op de ene wordt ze omhelsd door een Chinese met lange lokken. De vrouw torent op haar knalrode, hooggehakte laarzen een paar koppen boven de piepkleine Alami in haar tuniek en witte hoofddoek uit. Op de andere foto poseert Alami met een van de Westerse medewerkers van de film.

Met een Afghaans gezegde legt ze uit dat de terugkeer naar haar huis in Kabul moeite kostte. „Het was alsof ik van een groen huis in een koeienstal belandde.” Haar omgeving had kritiek op haar deelname aan de filmproducties. In het conservatieve klimaat van Afghanistan wordt acteren door velen als onfatsoenlijk beschouwd. „Ze zeiden dat ik een slechte, domme vrouw was. Of ze vonden me te oud.” Ze schudt geërgerd met haar kleine hoofd en tuit haar vrijwel tandeloze mond. Ze hoopt op een nieuwe rol. „Ik houd van acteren,” zegt ze. „En ik houd er van een werkende vrouw te zijn.”

Toen ze jong was verdiende ze de kost als schoonmaakster in een ziekenhuis in Kaboel. Behalve kritiek wekken haar werkzaamheden ook afgunst op. Sommige Afghanen denken dat ze rijk geworden is van haar acteerprestaties of dat ze als een filmdiva de wereld over vliegt. Maar volgens Alami gingen de paar honderd dollar die ze verdiende op aan medische zorg voor haar familie, het huishouden en aan steun voor een van haar zoons die in Pakistan gevangen zit. In de kamer van een paar vierkante meter die ze met drie zoons, een schoondochter en twee kleinkinderen bewoont, is er op de kleine zwart-wit televisie na niets dat op extra inkomsten duidt. Een matras met een paar kussens doen dienst als zithoek. Aan de door vocht aangetaste muren hangt een tl- buis. Haar schoondochter kookt theewater op een gasfles. Een zoon die verstandelijk gehandicapt is en aan epilepsie lijdt, ligt onder een laken voor zich uit te staren. Twee andere zoons verdienen de kost, de een als soldaat, de ander als klusjesman. Op haar zwarte, plastic schoenen met hoge hakken wiebelt ze over de vergruisde vloer om de bezoeker uitgeleide te doen. Ze is trots op haar onpraktische allure. „Ik kreeg deze schoenen in China,” zegt ze. „Bibi, bibi (grootmoeder, grootmoeder),” roepen kinderen die door de schemerige gang aan komen rennen. Al pratend trekt Alami hen weg bij de gaten in de vloer. Een jaar geleden maakte een jongetje van twee een dodelijke val in het trappenhuis.

Overal in het gebouw wordt de laatste tijd gesjouwd met huisraad. De bewoners moeten verkassen. Het pand wordt gerenoveerd tot overheidskantoor en ook zijn er plannen voor de vestiging van een universiteit. De families die over een document beschikken dat aantoont dat ze als vluchteling uit Pakistan zijn teruggekeerd, kunnen buiten de stad voor tachtig euro een stuk grond van zo’n vierhonderd vierkante meter kopen. Alami en haar familie hebben zich wekenlang verzet tegen de verhuizing, maar nu het gebouw met de dag leger raakt hebben ze ook een stuk grond aangekocht. Het ligt anderhalf uur ten noordwesten van Kaboel in een afgelegen gebied en daar maakt ze zich zorgen over. „Er is geen werk en er zijn geen scholen voor mijn kleinkinderen,” klaagt ze. Ze houdt haar pas in bij een paar enorme gaten in de muur. In de verte zijn de besneeuwde toppen van de majestueuze bergketen Hindu Kush te zien. Een andere opening geeft uitzicht op de grillige contouren van het bijna honderd jaar oude koninklijk paleis dat begin jaren negentig tijdens de burgeroorlog kapot geschoten werd. Het uitzicht stemt Alami treurig nu ze weet dat ze moet vertrekken. „Kaboel is mijn stad. Hier ben ik opgegroeid,” zegt ze.

Een dag later zit ze voor in de auto met een zwart handtasje op schoot. Haar hoofd komt maar nauwelijks boven het dashboard uit. Ze wordt uitgezwaaid door een paar achterblijvers. Die hebben geen recht op de goedkope grond zo lang hun papieren niet in orde zijn. Alami rekt haar hals en roept ten afscheid door het raam: „Jullie zijn als mijn kinderen.” Er zijn werkzaamheden aan weg naar het westen en het verkeer staat bumper aan bumper. Af en toe verdwijnt de omgeving in een mist van okerkleurig stof. Vanaf een militair voertuig gebaren Amerikaanse soldaten dat de auto afstand moet houden. „Denken ze soms dat ik een terrorist ben?” grapt Alami tegen de chauffeur.

Maar gaandeweg wordt ze minder parmantig. „Hoe moeten we de dagen en nachten daar doorkomen? Ik heb gehoord dat er geen waterput is. Het is als een woestijn,” zegt ze zachtjes. Via een industrieterrein gaat de stad anderhalf uur later over in een vlakte met een decor van heuvels. „Het nieuwe Kaboel,” kondigt een bord aan. Op de afbeelding turen mannen naar een stad die als een verlicht fata morgana in de verte ligt. Vooralsnog is er niets dat aan die ambitieuze plannen gestalte geeft. In het veld staan tientallen tenten. Onder een stuk canvas ruziën medewerkers van het ministerie met nieuwkomers die hun stuk land niet kunnen vinden. De gemoederen raken nog verder verhit als anderen komen vragen wanneer de vrachtwagens arriveren die dagelijks water brengen.

Terwijl de rest van de familie op zoek gaat naar de dochters die al eerder een tent opzetten, zakt Alami op het zeil. Haar kleinzoon schurkt een beetje beduusd tegen haar aan. „Wat moet ik hier?” snift ze, terwijl ze met haar hoofddoek een mengsel van stof en tranen uit haar ogen veegt. „Ik ben een stadsmens.”

mailIcon print |