*

 

Op pantoffels fiets ik naar het nieuwe huis, want alle schoenen zijn in de verhuiswagen.

Monic Slingerland − 23/01/07, 00:00

Je wenst het je ergste vijand niet toe, zo’n verhuizing, zegt iedereen die hier over de dozen heen binnenstapt. Zeg maar gerust dat het een nachtmerrie is. Twee dagen hebben de verhuizers ervoor uitgetrokken om onze spullen te verplaatsen over de afstand van een luttele 16 kilometer die het oude en het nieuwe huis van elkaar scheidt.

De eerste dag bellen ze om tien voor half acht aan en een kwartier later is ieder houvast in de keuken verdwenen. De koffie hebben ze wijselijk apart gezet, met wat mokken erbij. De rest is weg.

Ze zijn de rust zelve, maar onder hun handen verdwijnt in een noodtempo alles wat helpt om gewone dingen te doen. Wil je mensen gek maken, moet je hun kasten leeghalen. Iedere keer krijgen de hersenen een kleine optater, als achter een deur leegte de plaats van de vertrouwde inhoud heeft ingenomen. De post van gisteren, het telefoonboek, de computer, de nijptang, de schroevendraaier, appeltjes op de fruitschaal, bij alles grijpen we mis.

Kasten gaan uit elkaar, alle stoelen krijgen een nieuw onderkomen in de verhuiswagen, net als de eettafel. Aan het eind van de dag liggen er alleen kussens in de kamer. Boven staat nog een enkel bed. Verder zijn er overal veel dozen en vooral veel ondefinieerbare rommel.

Juist die rommel heeft de afgelopen tijd de nachtrust verstoord. Meeverhuizen kan niet, maar als de vuilnismannen komen wonen we hiet al niet meer. Hoe moet dat? Ik kan moeilijk aan de nieuwe bewoners vragen om mijn rotzooi op te ruimen.

Nu het huis bijna helemaal leeg is, de prenten van de muren, de kasten uit elkaar, komt er een partij stofvlokken tevoorschijn die zelfs bij mij het schaamrood op de kaken brengt. Dit is erg. Wat een viespeuken wonen er in dit huis, dat er verder heel beschaafd uitzag. Zo kijk ik aan het eind van de eerste dag vanaf mijn kussens in woonkamer naar de dikke stofdraden die overal tegen de wanden plakken en op de vloer liggen.

Het is moeilijk om je thuis te voelen in een smerig huis. De keuken biedt geen houvast: alle nootjes en chips zijn ingepakt. Ik krijg enorm zin in een gebakken ei, maar er is geen pan meer in huis. Dan komt mijn geliefde de kamer in, met een dikke envelop. De drukproeven van het boek over de fietstocht naar Rome, dat we de de afgelopen twee maanden hebben geschreven. De uitgever wil ze over een week of wat gecorrigeerd terug.

De laatste nacht in het oude huis is het waken en draaien. Hoe lang zal het duren voor we alle dozen uitgepakt hebben en het nieuwe huis een thuis is? Als alles de volgende dag is ingepakt, ook het afval, doen de verhuizers als laatste mijn fiets in de wagen. Nee, zeg ik, ik ga zelf fietsen. Weer schudden ze het hoofd. Ik ben naar Rome gereden, zeg ik, dus die 16 kilometer stellen niets voor. Op eigen kracht naar het nieuwe adres gaan helpt om me er eerder thuis te voelen.

Zonder nadenken loop ik voor de laatste keer naar de gang, om mijn laarzen aan te doen, maar alle schoenen zijn natuurlijk ook al in de verhuiswagen. Ik trek de deur achter me dicht en fiets dan maar op pantoffels naar het nieuwe huis. Drie kilo lichter dan voor de verhuizers kwamen, blijkt als de weegschaal is uitgepakt.

mailIcon print |