Trouw peilt het heden- daagse geloof in het land van Philips en Van Gogh. Aflevering 14: gilden in Gemert.
Jan Penninx (76), die met zijn karakteristieke kop en onberispelijke ridderoutfit zo van de set van een historische film lijkt te zijn weggelopen: „Toen ik 53 jaar geleden bij het gilde kwam, waren we met z’n achten. Moet je nou eens kijken.”
De statige trouwzaal van het Gemertse gemeentehuis is afgeladen; de spierwitte veren op de hoeden van zo’n zestig gildebroeders en -zusters plus aanhang steken fel af tegen het donkerrode behang.
Burgemeester J. van Maasakkers spreekt het Gilde van Sint Antonius en Sebastiaan toe, zijn ambtsketting oogt wat pover tussen de talloze blinkende gedenkschilden op de kleding van de mannen van Sint Antoon. De burgervader heeft speciaal een groene stropdas om; het gilde heet in de volksmond ’de grüne skut’ (de groene schut). „Dankzij jullie blijven eeuwenoude waarden en normen bewaard”, spreekt hij trots.
Als hij is uitgesproken, het gilde zijn jaargeld in een groen zakje heeft ontvangen, en de wijnglazen leeg zijn, gaat het gilde de straat op om de burgemeester een vendelgroet te brengen – het sierlijk simultaan ronddraaien van de vlaggen, door tromgeroffel begeleid.
In de Middeleeuwen boden schuttersgilden op het platteland bescherming aan zowel overheid als kerk. Op de jaarlijkse ’optrekdag’, de zaterdag volgend op de naamdag van hun patroonheilige, is dat terug te zien. Het gilde ’trekt op’ van de kerk naar het stadhuis. Na een gezamenlijk ontbijt volgen onder meer eucharistieviering, vendelgroet, burgemeestersbezoek, nog een vendelgroet, en dan de besloten verkiezing van ’de nieuwe deken’, in het gildehuis – een zaal in hotel De Keizer. Daar worden ook drie jubilarissen toegesproken.
Sinds het gilde in de jaren zestig opengesteld is voor gehuwde mannen – voorheen diende je het gilde te verlaten als je ging trouwen – is het enorm gegroeid, en veel vitaler geworden, vertelt bestuurssecretaris Wout Brouwers. „Nu zijn de enige eisen dat je man bent, en dat je de christelijke beginselen onderschrijft.”
Er zijn slechts twee manieren om gildebroeder te worden (’lid worden’ mag je niet zeggen). De eerste is dat je gevraagd wordt – daarvoor moet je simpelweg in de juiste familie geboren worden, een echte groene familie. De andere manier is jezelf ’koning schieten’. Op een tweejaarlijks zomerfeest schieten de ’notabelen’ (of wie er tegenwoordig ’notabel verklaard’ wordt) met z’n allen om beurten op een houten vogel. Wie het schot lost waardoor het beest naar beneden tuimelt, is twee jaar koning – geen vrijblijvende eer overigens, want het gilde trekt nooit uit zonder koning.
Bij feesten, herdenkingen, evenementen, is het gilde aanwezig. Het onderhoudt een kapel en bezoekt zieken. En dan gaan de broeders ook nog eens samen op vakantie, met vrouwen en kinderen. Dan wordt er ’wel even gevendeld, maar in principe is het gewoon vakantie’. Verder zijn er gezamenlijke fietstochten en barbecues, en natuurlijk de bruiloften, verjaardagen, zilveren huwelijken, begrafenissen. Er gebeurt eigenlijk niks collectiefs zonder het gilde.
Is het eigenlijk niet vooral een gezelligheidsvereniging? Geen van de aanwezigen, gildebroeders noch aanhang, accepteert die term. Wat het wél is volgens de betrokkenen? Traditie. En het belangrijkste van alles lijkt te zijn dat de traditie in stand blijft. Alle activiteiten van de jaarlijkse optrekdag zijn daarop gericht, in feite ’gebeurt’ er niets – de gebeurtenissen bestaan uit het in stand houden van het gilde, de traditie.
„Alleen gezelligheid? We gaan deze week drie keer naar de kerk in vijf dagen”, zegt Wilma van den Helzen, een van de vrouwen die tijdens de besloten verkiezing wacht in het café. Ook de vrouwen vormen een club. Minder officieel, maar eveneens zeer hecht. Bij veel activiteiten gaan ze mee. Petra van der Wijst: „Het is ingewikkeld, er gaan wel een paar jaren overheen voordat je het allemaal snapt.”
Noud Rooyakkers (78): „Er zijn er voor wie de schut belangrijker is dan hun eigen leven. Zoals Johan van de Berg, onze kapitein die in december overleden is. Hij was er vandaag zestig jaar bij geweest.”
Er is in Gemert nog een ander gilde, het Sint Joris (‘Vroeger was dat haat en nijd’). Vandaar dat de gildekleur groen vaak benadrukt wordt. Zo bieden de jubilarissen het gilde dit jaar een kazuifel aan, voor meneer pastoor. Groen uiteraard, en voorzien van gestikte gildesymbolen. Vanochtend had de priester hem al gedragen, maar dat was bijna niemand opgevallen.
Het is geen club voor snelle jongens. Als het gezelschap zich verplaatst heeft, zit het zo weer een uur of anderhalf op de nieuwe locatie, de optrekdag duurt van half acht ’s ochtends tot één uur ’s nachts. Een dertiger in gildekostuum, staat bij vertrek uit het gildehuis met een pilsje in zijn hand in de gang. „Tegenwoordig moet alles vlug vlug, maar dit is traditie hè? Rustig aan.”
Als de nieuwe deken bekend is, Pieter (22), de jongste zoon van jubilerend gildebroeder Peter, trekt het gezelschap al trommelend op naar diens huis. Daar wordt koffie gedronken en – wederom – bier.
Ineens wordt een lied ter ere van de heilige Antonius Abt ingezet. ’Die Sint Antonius niet en acht, is waardig dat hij wordt veracht. Nochtans men vindt ze wel, hier ook en in de hel’, klinkt het door de huiskamer. Een jonge gildebroeder, flesje pils in de hand, maakt er een sport van zo hard mogelijk een valse tweede stem boven iedereen uit te zingen, waarmee hij de lachers op zijn hand heeft. Het lied vol vrome taal krijgt hierdoor iets van het brallerige credo van een studentenvereniging.
Eindelijk is het moment daar, de nieuwe deken zal officieel geïnstalleerd worden. De ploeg groepeert zich op straat rond de voordeur. Daar krijgt de jonge Pieter de attributen van zijn nieuwe hoedanigheid aangereikt. De ’regerende deken’ (de jongeman die vorig jaar in Pieters schoenen stond), neemt afstand van zijn borstschild en hangt het zijn opvolger om de nek. Van twee opgetrommelde buurmeisjes (volgens de traditie behoren dat maagden te zijn, maar daar heeft niemand in dit geval naar geïnformeerd), krijgt hij een kusje. De één wikkelt de groene sjerp om zijn middel, de ander zet hem een hoed op en een pijp.
Het zilver glimt nog wat onwennig op Pieters winterjas. Als hij met een vertrokken gezicht de rook uitblaast, klinkt applaus en tromgeroffel en volgt – uiteraard – een vendelgroet. De jongeling is opgenomen in de kring.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.