ül te vaak wordt de Italiaanse denker Machiavelli geassocieerd met een handvol shockerende citaten uit zijn werk. Maar hoe ’machiavellistisch’ dacht hij eigenlijk? Een nieuwe Nederlandse uitgave geeft eindelijk een eerlijk beeld van deze verstoten politicus, die veroordeeld was tot het adviseren van ánderen.
In de loop der tijd zijn de geruchtmakende politieke theorieën van Niccolò Machiavelli (1469-1527) gebruikt en misbruikt door een bonte stoet van schrijvers, intellectuelen, filosofen, politici, staatslieden, dictators, tot en met hedendaagse managementgoeroes. Dat is niet zo verwonderlijk, want een belangrijke verdienste van Machiavelli is dat hij beschouwingen over politiek en staatkunde losmaakte uit een strikt religieuze en morele context en er een pragmatische wending aan gaf. Hij probeerde op basis van zijn observaties van menselijk gedrag wetmatigheden te ontdekken in de manieren waarop leiders hun macht verkregen, behielden en kwijtraakten.
Na een monumentale vertaling van de ’Discorsi’ uit 1997 heeft de Leidse Machiavelli-kenner Paul van Heck een prachtige bundel samengesteld van Machiavelli’s overige politieke geschriften: afgezien van het meesterwerk ’Il principe’ zijn erin opgenomen zestien kleinere politieke geschriften, een ruime keus uit de privécorrespondentie (levendig en verrassend zijn de brieven aan en van Francesco Vettori) en de biografie van Castruccio Castracani.
De zorgvuldige samenstelling, de heldere inleiding en de culturele en historische inbedding van de opgenomen teksten, geven een boeiend overzicht van Machiavelli als politiek denker en schrijver. Het beeld is genuanceerd en wetenschappelijk verantwoord, voortdurend gericht op een beter begrip van de teksten en de intenties van hun auteur. Tevergeefs zal men dus zoeken naar een hippe, actualiserende of eenzijdige interpretatie van de ideeën van de Florentijnse staatsman en schrijver.
En deze ideeën zijn maar al te vaak gereduceerd tot een handjevol maximen (zie kader). Hierover merkte T.S. Eliot al eens droogjes op dat niemand minder machiavellistisch is dan Machiavelli zelf. Van Heck slaagt erin de bestaande vertalingen van dit pamflet-achtige traktaat over Realpolitik op veel punten aan te scherpen en bij te stellen. Zo bevat de titel niet langer ’vorst’ of ’prins’, maar het meer omvattende, in feite onvertaalbare principe. Ter compensatie voor het ontbreken van de integrale Italiaanse tekst, verantwoordt de vertaler zijn keuzes door het origineel regelmatig te citeren en zo inzicht te geven in de problemen van Machiavelli’s eigenzinnige, soms ongepolijste en vaak dubbelzinnige taalgebruik.
Machiavelli schreef ’Il principe’ nadat hij eind 1512 uit de Florentijnse overheidsdienst was ontslagen, gevangengezet, gemarteld en uit de stad verdreven. Diep gefrustreerd vanwege zijn val in ongenade hunkerde hij vanuit zijn plattelandshuis in Sant’Andrea in Percussina naar eerherstel en naar een plekje bij het centrum van de macht die na achttien jaar weer bij de Medici’s berustte. Tot aan zijn dood was hij zodoende gedwongen zijn jarenlange praktijkervaring in politiek en diplomatie te verwerken in politieke geschriften. Verstoten uit de politieke arena moest hij genoegen nemen met het instrueren van anderen.
Lees bijvoorbeeld zijn advies aan diplomaat Raffaello Girolami, die op het punt stond af te reizen naar het hof van Karel V in Spanje: ,,je zult de aard van de man moeten observeren, moeten bezien of hij zelfstandig besluiten neemt of zich door anderen laat leiden, of hij gierig is of vrijgevig, krijgszuchtig of vredelievend, of hij begerig is naar roem of naar andere zaken, of hij bemind is bij zijn onderdanen, of hij liever in Spanje verblijft of in Vlaanderen, met wat voor adviseurs hij zich heeft omringd, en wat die zoal voor ogen hebben”. Na nog verder te hebben uitgeweid, drukt Machiavelli Girolami op het hart nauwgezet en regelmatig verslag te doen van al zijn observaties.
Meermaals is de toon van de adviezen ook verre van koel en analytisch. Neem het meeslepende en profetische slothoofdstuk van ’Il principe’, waarin Machiavelli met lede ogen de erbarmelijke situatie beziet waarin zijn Italië verkeerde: ,,zonder leider, zonder orde, mishandeld, geplunderd, geradbraakt, vertrappeld, door allerlei rampen bezocht”. Hij schreeuwt zelfs om een ’verlosser’ voor dit aan vreemdelingen overgeleverde land: een telg uit de ’doorluchtige familie’ van de Medici zou de wapenen moeten opnemen en vooropgaan ’op weg naar de verlossing’ van de ’barbaarse wreedheid en agressie’.
Een goede principe combineert de kracht van de leeuw en de sluwheid van de vos. Degene die de model-principe benadert is Cesare Borgia, de bastaardzoon van paus Alexander VI. Deze op macht beluste condottiere fungeert in verschillende sleutelpassages als positief voorbeeld bij Machiavelli’s ideeën over het verkrijgen en behouden van macht en over de rol van het fortuin hierbij. In een beroemde tekst beschrijft Machiavelli meesterlijk en onderkoeld hoe hertog Valentino enkele vijanden in Senigallia elimineerde: in de voorbereiding berekenend, in de uitvoering resoluut en koelbloedig. In het uur van zijn wraak tonen zijn vijanden hun ware, lafhartige gezicht. Een van hen maakt zelfs ’een totaal ontredderde indruk’ en lijkt, in de woorden van Van Heck, een ’offerdier dat naar het altaar van Cesares wraak wordt geleid’. Machiavelli’s bewondering en ontzag ten spijt blijft dit sinistere idool omstreden.
Tijdens het Risorgimento, het proces dat in 1861 leidde tot Italië's eenwording, werd Machiavelli bejubeld als een van de eerste strijders voor nationale eenheid en tegen buitenlandse overheersers. Terwijl sommigen (vooral in Frankrijk en Engeland) waren doorgeslagen in hun verguizing van Machiavelli als immoreel en verraderlijk, schoten ook de mannen van het Risorgimento een tikkeltje door in hun lof. In hun pantheon van de Eenwording, de Florentijnse Santa Croce, kwam op Machiavelli’s graftombe de epitaaf Tanto nomini nullum par elogium, ’aan een zodanig grote naam kan geen enkele lof recht doen’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.