De meeste rapporten geven de Nederlandse scholen een dikke voldoende. Maar spelfouten als ’geaccepteerde slordigheid’, dat kan natuurlijk niet.
Ouders beoordelen al jarenlang in de Onderwijsmeter – onderzoek in opdracht van het ministerie van onderwijs – de kwaliteit van de school van hun kind. Dat rapportcijfer is nagenoeg stabiel. In 2005 gaven ouders de basisschool een 7,7. Het voortgezet onderwijs kreeg een 7,3.
’Het onderwijs in Nederland is van behoorlijke kwaliteit’, luidt ook de kop van de eerste paragraaf van een rapport van de Onderwijsraad van vorige maand. Daarin werd het reken- en taalonderwijs gehekeld, maar het algehele niveau geprezen: ’Basisscholen presteren gemiddeld goed. De kwaliteit van de scholen in het voortgezet onderwijs is in de afgelopen twee schooljaren op hetzelfde hoge niveau gebleven.’
Dit komt ook overeen met de uitkomsten van internationale vergelijkingsstudies, zoals die van Timss (Trends in International Mathematics and Science Study) en PISA (Program for International Student Assessment). Alle leiden tot de conclusie dat het Nederlandse onderwijs in vergelijking met andere westerse landen qua leeropbrengsten positief scoort.
Critici bagatelliseren de resultaten. Zij zeggen dat de vraagstelling in deze internationale onderzoeken ook wel erg in lijn ligt met de Nederlandse manier van lesgeven. Bij de wiskundetesten zitten bijvoorbeeld veel opgaven waarbij flink gelezen moet worden. In sommen oplossen schijnen Nederlandse scholieren, volgens bijvoorbeeld het Freudenthal Instituut, helemaal niet zo goed te zijn. Maar als de opgave in een verhaaltje is verwerkt, zijn ze er wel goed in. Niet te hard juichen dus, volgens de critici.
Maar geklaag over de lagere kwaliteit van het onderwijs is van alle tijden. Volwassenen beschouwen het zelfgenoten onderwijs als maatgevend, merkte publiciste en sociaal psychologe Beatrijs Ritsema op in de bundel ’Steeds minder leren, de tragedie van de onderwijshervormingen’. Dat komt door nostalgie over de eigen jeugd en afgunst op hedendaagse jongeren, die het makkelijker zouden hebben.
Maar tegenwoordig worden andere kennis en vaardigheden gevraagd dan dertig jaar geleden. En de leerlingen krijgen andere en méér vakken onderwezen. De invloed van computers moet ook niet worden onderschat, waarschuwt het Tweede Fase Adviespunt, verantwoordelijk voor de bovenbouw van de middelbare school.
Er is zoveel informatie vrij beschikbaar gekomen, dat de school haar positie als kennisinstituut een beetje verliest. De prioriteiten van een school zijn nu het aanleren van sociale vaardigheden en het motiveren van leerlingen om te leren, ook als de stof niet onmiddellijk van belang lijkt.
„Belangrijk is dat je op school leert dat leren leuk is, zodat je een levenlang wilt blijven leren,” zegt inspecteur-generaal Kete Kervezee van de inspectie van het onderwijs. „Onderwijs is leuk. Wij zouden ons product wel eens beter mogen verkopen.”
De zorgen over wiskunde, rekenen en taal zijn echter wel terecht. Uit onderzoek van het Tweede Fase Adviespunt blijkt dat eerstejaarsstudenten wel redelijk in staat zijn om informatie te vergaren, te ordenen en te presenteren, maar dat bij schriftelijke presentaties het ontbreekt aan elementaire kennis op het gebied van spelling en zinsbouw. Men wijt dat voor een deel aan ’geaccepteerde slordigheid’.
Leerlingen zien schrijven ook echt als een typische schoolse activiteit. De lees- en schrijfcultuur ligt onder vuur bij de generatie die is opgegroeid met internet. Voor de gebrekkige rekenvaardigheden durft men minder makkelijk een oorzaak aan te wijzen. Maar het lijkt sterk te maken te hebben met de verschuiving naar ’het meer talig worden’ van het onderwijs.
Het stampen van tafels is verdwenen. In plaats daarvan is er meer ruimte voor het bieden van ’verhalende oplossingen’ voor rekenkundige vraagstukken. Dit gaat ten koste van basisrekenvaardigheden. Ook leggen sommigen een verband met het grote aandeel vrouwelijke leerkrachten in het basisonderwijs. Daardoor zou er veel minder oriëntatie op exacte vakken en techniek zijn.
Bij de overige vakken is er geen aanleiding om aan te nemen dat het kennisniveau is gedaald, zegt zowel de Onderwijsraad als de Cevo, de commisie die de centrale examens maakt. De Cevo constateert dat het niveau van de centrale examens al jaren ongeveer gelijk is. Er worden ook niet opeens meer vaardigheidsvragen gesteld dan kennisvragen, iets wat mensen vrezen nu de aandacht in het onderwijs meer en meer wordt verlegd naar vaardigheden beheersen.
Juist die inhoudelijke onderwijsvernieuwingen, zoals het studiehuis waarbij zelfstandig leren een grote rol speelt, scoren hoog op het zorgenlijstje van de ouders.
De vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) springt hier dankbaar op in. ’De jarenlange hervormingen hebben ons onderwijs in een permanente bouwput veranderd’, stelt de vereniging in haar manifest. ’De aandacht binnen het onderwijs is verlegd van vakinhoudelijk, degelijk onderwijs door goed opgeleide vakdocenten naar efficiënte diplomaproductie ten koste van de kwaliteit’, aldus BON.
Een absolute doorn in het oog van de BON is het centraal stellen van de individuele ontplooiing van de leerling of student. Daardoor is het ’bijbrengen van kundigheid op de achtergrond geraakt en het accent komen te liggen op het lekker bezig zijn of het leuk vinden van opdrachten’. Inspecteur Kervezee wordt een beetje moe van de discussie over het ’nieuwe leren’. De argumenten die telkens worden aangedragen tegen het nieuwe leren, zoals het teloorgaan van feitenkennis, vindt ze ongenuanceerd.
Kervezee: „Klassikaal les of zelfstandig vaardigheden ontwikkelen; we maken er zo’n principiële strijd van. Natuurlijk moet er structuur zijn op school, maar welke onderwijsmethode het beste werkt, verschilt per kind en per situatie. Goed onderwijs valt of staat met de leraar.” Op dat punt is de BON het eigenlijk met haar eens. Ook zij benadrukt een belangrijkere rol voor de docent.
Positief aan de discussie vindt Kervezee dat iedereen het belang van goed onderwijs onderschrijft. „Maar er zijn meerdere wegen naar Rome. Het babbelgehalte dat het Nederlandse onderwijs niet goed is, is heel hoog. Het gaat gemiddeld gezien hartstikke goed in Nederland.” Ook zij verwijst naar onderzoek van de Oeso, waaruit onder meer blijkt dat het niveau in Nederland hoger ligt dan het gemiddelde in de Europese Unie. „Maar we relativeren altijd maar onze resultaten. En natuurlijk kan het beter. Je hoeft ook niet eerst ziek te zijn om beter te kunnen worden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.