Vaak is een hit wel genoeg om bekend te worden. Maar niet voor de Amsterdamse band Coparck. Al tijden komt hun nummer ’The World of Tomorrow’ op tv in een kaasreclame voorbij: een roodharige vrouw ligt in het gras, en zanger Odilo Girod zingt na een Yeah, Yeah, Yeah-aanloopje dat hij het licht zag. „Iedereen kent het. Maar veel minder mensen weten dat wij dat zijn”, zegt Girod. Al waren ze op de Ster-website de meestgezochte reclamemuziek, toch vragen nog veel mensen na een optreden van wie die cover was die ze deden.
Als hij zelf tv kijkt („alleen nieuws en documentaires”) en opeens zijn eigen stem hoort, geeft dat een grappig o ja-gevoel. De muziek past goed bij het filmpje, vindt hij, en voor het product kaas hoef je je niet te schamen. „Meewerken aan een reclame is een van de manieren om gehoord te worden, dus waarom niet. De uitdaging is dat iedereen in de wereld die ons leuk zou kunnen vinden, ons ook echt kent.”
Misschien zijn ze niet mainstream genoeg voor een groot publiek. „Maar zo ingewikkeld zijn onze singles ook niet. We willen zowel toegankelijk als spannend klinken.”
De prachtige nieuwe cd ’The 3rd Album’ – eerder verschenen ’Birds, Happiness & Still Not Worried’ (2001) en ’Few Chances Come Once in a Lifetime’ (2005) – is een fraai visitekaartje voor alle nieuwe kennismakingen. De songs van het viertal worden opgebouwd met gitaar, drum en bas en ingekleurd met instrumenten als Fender Rhodes, vibraphone, xylofoon, Hohner Pianet, Mellotron, Minimoog en tuba.
Producer Reyn Ouwehand had een levend instrumentenmuseum in zijn ’waanzinnige studio’ op een industrieterrein in Katwijk. Het resultaat is sfeerrijk. De single ’A Good Year For The Robots’, over een toekomst waarin robots verliefd worden, is even gelaagd als uitgelaten.
Er zijn veel Onverwachte Coparck Fans, zo blijkt uit de serie ansichtkaarten die de band onder die titel uitbrengt. De Amerikaan Walt bijvoorbeeld, een kale man met woeste baard en versleten spijkerjack. Hij is eigenaar van Coparck Taxi, achter hem staat de bedrijfsnaam op een gele voorgevel. Tijdens de rit horen klanten alleen Coparck.
Of ’integration specialist’ Herman die samen met Elise, ’global search analyst’, concerten van Coparck bezoekt. Hun portret in een saladebar lijkt zo uit een bedrijfsfolder afkomstig te zijn. Op het truitje van tuttige Elise staat ’Death to everyone’.
Misschien zijn die fans fictie. Als waarschuwing kreeg ’The 3rd Album’ de ondertitel ’A work of fiction?’. Waardoor je ook twijfelt als in het nawoord staat dat de bandnaam, die ooit in een droom tot Girod kwam, tevens voor een Japanse stofzuiger staat, ’uit het topsegment’. En dat de hond van John Lennon Coparck heette. Hij riep ’Come to the park’ en zoon Sean kortte dat af tot Coparck. ’Een vreemd klein verhaaltje, maar echt waar!’
En dat echt waar is echt waar.
Girod speelt graag met mogelijke waarheden. Soms als antwoorden op grote vragen. „Waarom zijn we hier? Het antwoord is vast zo absurd dat het niet voor te stellen is.” Een religie aanhangen zou de makkelijkste manier zijn om het leven zin te geven: „Laat iemand anders maar zeggen hoe het zit.” Maar Girods eigen remedie tegen de vraagziekte is muziek maken. „Op het podium vraag ik mezelf nooit af of ik gelukkig ben. Dan geniet ik alleen.”
Of hij verzint een alternatieve wereld. Zo droomt hij in ’The Fifth Season’ over een miraculeuze ontsnapping naar een universum met vijf seizoenen, waarin het fijn wandelen is in intergalactische heuvels.
Niet alle teksten komen voort uit zijn eigen fantasie. Zo stamt het stapeltje miniatuurverhalen in ’Time is Short’ uit een filmencyclopedie die hij las. „Ik vond het mooi dat elke film in één zin werd samengevat, iets wat je ook met een heel leven zou kunnen doen.” Een ruimtewezen arriveert in New York en wordt verliefd op de weduwe van de man wiens lichaam hij heeft ingenomen. Een componist wil ballads schrijven maar breekt door als heavy metal-muzikant. In elk leven valt wel wat regen, zingt Girod wat somber in het concluderende refrein.
In ’You Will Fall’ valt nog meer water, maar daar met meer berusting, we zijn druppels water in een enorme kringloop, alles begint steeds opnieuw. Zoals bij alle songs schreef Godin bij ’You Will Fall’ in het cd-boekje een associatieve tekst, in dit geval over het kapitalisme dat ooit kan omvallen. Hij vergelijkt het met een almachtig computerbesturingssysteem en vraagt zich af: ’Wie schreef het? Wie spoort virussen op? Wie reboot het als het crasht?’
Erbij staat een schilderij van een zakenman die in zijn grote handen een bos hout draagt. De straten zijn leeg. „Een dreigend en actueel werk. Wat doen we als de olie op is?”, vraagt hij met een verontrusting die soms ook in de liedteksten klinkt. De schilder, Wes Magyar, maakt vaker doeken van mensen uit hun normale doen. „Zoals een zakenman met een gasmasker, een vrouw die zaaitjes strooit tussen stoeptegels.”
Girod is gevoelig voor beelden, hij studeerde aan de Rietveld-academie en doet de vormgeving van de band, en zegt voor de bandnaam al jaren het lettertype Trade Gothic te gebruiken. Toch is muziek een grotere passie. „Ontwerpen is ratio, muziek is onderbuik en kunst, iets wat gebeurt. Sommige mensen zeggen me: ’Ik wil ook muziek maken in een bandje’. Maar dat bedenk je niet. Ik doe het, omdat ik het moet.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.